Kortverhaal: ‘Guillaume’


Guillaume wist ook wel dat het niet normaal was dat het hem weinig kon schelen toen hij z'n vriendin betrapte op het zuigen van een ander in de Charlatan. Hij was ondertussen goed geworden in het nadoen van emoties, die avond koos hij ervoor om dat niet te doen. 

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/02/2026 – 8:31 door Wout Lan­duyt

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Hij gunde haar geen vals ver­dri­et. Ze had hem bedro­gen en dus zijn zelfwaarde onder­mi­jnd, dat wíst hij wel, maar voelde hij niet. Z’n vriendin was woest: “Als dá u al niets doet, dan zegt da heel veel over hoe graag gij mij eigen­lijk maar ziet”, snik­te ze, haar gezicht begraven in haar han­den. Snakkend en hap­pend tussen haar tra­nen en snot door. Ze besloot zelf de relatie te beëindi­gen: “fuck­ing sadist”.

Hij kon een unicum genoemd wor­den, een tweeën­twintig­jarige die nog nooit gehuild had. Toen hij dier­lijk uit de baar­moeder­hals geperst werd en door twee blauwe nylon­hand­schoe­nen aan z’n hoofd­je naar buiten getrokken werd, vrees­den de omstaan­ders het erg­ste want er werd geen kreet­je ges­laakt. Maar hij was gezond, stelden de ver­lossers z’n moed­er gerust. Al een geluk dat die vrouw qua­si uiteenspat­te van de morfine en het hele gebeuren als een gelo­bot­o­miseerde meemaak­te. Guil­laumes vad­er, die er wat onge­makke­lijk op stond te kijken en wan­hopig zocht naar het nut van een vad­er in dit soort sit­u­aties, had even­min een reac­tie.

Ondanks het feit dat Guil­laume als peuter de rust zelve bleek te zijn, was z’n moed­er wel wat pis­sig over al die ver­loren uren en cen­ten aan opvoed­boeken. Z’n oud­ers had­den zich voor­bereid op een maan­den­lange over­lev­ingsmodus waarin het boeleke half West-Vlaan­deren bij elka­ar zou gaan schreien omdat z’n pam­per lag te verzuipen in het schi­jt. Jaren­lang geti­er van een sparte­lend wezen dat z’n pap­je begeert. Ze waren er nochtans klaar voor, een kop­pel zou alles gaan proberen om hun fal­end huwelijk te red­den. Die ang­sten bleken achter­af gezien voor niets nodig geweest te zijn, Guil­laume jank­te geen moment. ’t Was fraai. Twee jaar lat­er stapt z’n moed­er met hem in haar armen het bureau van de huis­arts bin­nen. Ze had hem per ongeluk lat­en vallen tij­dens het mak­en van een Ins­ta-boomerang en het gaf geen kik. Is ’t miss­chien een sociopaat of heeft het geen traanklieren? “Nee en jawel”, zei dok­ter Vonk. Z’n moed­er was rade­loos, niets kreeg zij van haar zoon. Een mens zou allicht tikken gaan uit­de­len om er iéts uit te kri­j­gen.

Nu hij 22 was, had hij op zich wel een notie van geluk en ver­dri­et, maar dat was vooral nadoen en rea­geren zoals het ons betaamt. Het was niet per se het huilen of lachen dat hij miste, het was vooral z’n gebrek aan emoties. Dat hij er nu ook z’n lief door ver­loren was, sto­orde hem. Ook al was liefde voor hem slechts een gerucht, hij mocht haar op zich wel. Hij zou het heft in eigen han­den nemen, hij zou janken. Hij zou voe­len, hoe dan ook…

Een ajuin in twee sni­j­den gaf hem tra­nende ogen maar deed hem niets voe­len. Zichzelf pijni­gen had ook weinig effect behalve blauwe plekken en fysieke pijn. Hij moest min­der materieel gaan. Guil­laume dook in de depressieve kun­sten, luis­ter­de tri­es­tige albums en las trauma­pornografis­che boeken. Op de vlo­er, leunend tegen de bedrand beeldde hij zich de begrafe­nis van z’n moed­er in, z’n vriendin die vreemdg­ing, ver­mink­te kinderen in Gaza, seniele wereldlei­ders, een red­de­loos kli­maat. Niets kwam.

Tot dan uitein­delijk de win­te­rocht­end waarop zijn emotieloze bestaan beëindigd zou wor­den. Guil­laume trok z’n jas aan, wierp een sjaal over z’n schoud­er, zwaaide de deur van z’n kot­ge­bouw open en ver­sti­jfde. Hij staarde naar een uit­ges­meerde dode kat op het straatas­falt, waarschi­jn­lijk van­nacht omverg­ere­den. Een meeuw nestelde zich in de dar­men van het open­gereten beest. Ver­won­derd keek hij hoe de meeuw stukken inge­wan­den van het lijk­je naar bin­nen begon te spe­len. Voor het eerst werd Guil­laume zijn automa­tis­che piloot uit­geschakeld en dacht hij na. Ter­wi­jl de kat opgevreten werd door de meeuw begon zijn onder­lip te trillen en wer­den zijn mond­hoeken zwaarder. Zijn wenkbrauwen trokken bijeen en na tweeën­twintig jaar begon hij te huilen.

Hij realiseerde zich zijn nietigheid. Niet alleen dat van hem, maar ook van die kat, de meeuw, z’n moed­er, z’n vad­er en de per­soon die de kat omverg­ere­den had. Alti­jd weer dit. Dag na dag een zand­ko­r­rel op het hoop­je niet­szeggend­heid dat zijn lev­en voorstelt. Elke dag opnieuw. Tot hij  er nooit meer zou zijn, tot zijn naam voor de laat­ste keer genoemd wordt. Tot een wind­stoot z’n bijeenge­sprokkelde hoop­je zou meevo­eren en uiteen­ri­jten. Zijn niet-zijn, zijn onmacht en zijn waarde­loosheid deden hem voor het eerst voe­len. Hij voelde zich bevri­jd. Die dag was Guil­laume er aan uit: we zijn niets. Na tweeën­twintig jaar kon hij begin­nen.