Vergeten vrouwenpennen


Wanneer je begint te zoeken naar vrouwelijke stemmen uit en over de oudheid, kom je tot de confronterende conclusie dat het er veel zijn geweest, maar dat er ook nog veel achterblijven. Deze vrouwen blijven 2000 jaar later nog steeds op de achtergrond en dat is tragisch. 

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 12/05/2025 – 8:38 door Leone MattheusSarah Van Crom­bruggen

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Alle Bland­i­jn­gangers in de zaal ken­nen Sap­pho. Anderen zullen miss­chien al weleens geho­ord hebben van de Griekse dichteres uit de oud­heid. Jam­mer genoeg stopt het ver­haal daar voor velen. Veel vrouwelijke schri­jvers uit de klassieke oud­heid zijn in de loop der jaren door gebrek aan inter­esse in de ver­getel­heid ger­aakt. Toch zijn er van­daag nog bron­nen terug te vin­den, zoals de tien­tallen gedicht­en van Nos­sis van Locris. Deze dichteres ver­scheen 200 jaar na Sap­pho op het toneel en wordt omschreven als een van haar vol­gelin­gen. Locris is een klein stad­je in het zuiden van Ital­ië, maar maak­te toen deel uit van het rijk Magna Grae­cia en was vooral ver­bon­den met de stad­staat Spar­ta. Dit is te merken aan het Dorische dialect waarin ze haar werken schreef. Het waren vooral epi­gram­men, korte gedicht­jes met een zekere clue of onder­toon, over religie, huwelijk en over vrouwen. Haar werk zou dan ook oor­spronke­lijk geschreven zijn om voor te dra­gen aan vriendin­nen of vrouwen uit haar omgev­ing. De gedicht­en van Nos­sis zijn dus een his­torisch voor­beeld van lit­er­atu­ur voor vrouwen door vrouwen. 

Denk alsje­blieft aan een non met een ganzen­veer

Stel je eens even voor: een non uit de tiende eeuw, gehuld in een habi­jt, die tussen al het bid­den door Lati­jnse kome­dies schri­jft. Geen heili­gen­levens of gebe­den­boeken, maar ver­halen over vrouwen die hun eigen lot in han­den nemen. Zo iemand was Hrosvitha van Gan­der­sheim, een vrouw die je waarschi­jn­lijk niet kent, maar die wel een plek ver­di­ent tussen de grotere lit­eraire pio­niers. In een tijd waarin de klassieke toneelschri­jvers van Rome en Grieken­land wer­den bejubeld, koos Hrosvitha voor een andere weg. Haar zes kome­dies waren een antwo­ord op wat ze zag als de morele leegte van die oude ver­halen. In plaats van helden die door wraak of lust wer­den gedreven, schiep ze per­son­ages vol inner­lijke kracht. Vrouwen die niet wacht­ten op red­ding, maar zelf de regie namen. Fem­i­nisme? Miss­chien niet onder die noe­mer, maar het is mooi om te geloven dat ze het zo heeft bedoeld. Hrosvitha liet zien dat lit­er­atu­ur niet alleen over man­nelijke helden of religieuze dogma’s hoefde te gaan. Haar per­son­ages worstelden, twi­jfelden en tri­om­feer­den, net zoals wij als stu­dent zo vaak doen. Hoewel haar stukken waarschi­jn­lijk nooit het podi­um haalden, waren ze wel een brug tussen geloof en menselijkheid, tussen regels en rebel­lie.

Denk dus niet alleen aan rid­ders of kaste­len de vol­gende keer wan­neer je terug­denkt aan de mid­deleeuwen. Denk alsje­blieft aan een non met een ganzen­veer, die in stilte de gren­zen van haar tijd verk­ende, omdat ze geloofde dat ver­halen niet alleen moeten onder­wi­jzen, maar ook moeten lev­en.