Open Boek met fietsprofessor Meredith Glaser


Sinds kort is de UGent een leerstoel rijker: een nieuwe fietsprofessor werd aangesteld om onderzoek te doen over fietsbeleid en fietsgebruik in Vlaanderen. De Amerikaanse Meredith Glaser was de geknipte kandidaat voor deze post.  

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 31/03/2025 – 11:05 door Roos­je Viss­chedijk­Erdal Yay­la

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Hoe bent u op het the­ma fiet­sen terecht­gekomen? 

“Als Amerikaanse ben ik opge­groeid in een zeer auto-afhanke­lijk gebied in de buiten­wijken van Cal­i­fornië. Van jongs af aan wilde ik alti­jd onafhanke­lijk zijn in mijn mobiliteit, maar dit was eigen­lijk onmo­gelijk. Toen ik in 2009 naar Ned­er­land ver­huis­de, had ik een com­pleet andere mobiliteit­ser­var­ing, want hier kan je als gezin lev­en zon­der auto.”


 

Fiet­ste u regel­matig voor u naar Ned­er­land ver­huis­de?

“Ja, in Davis, de plek waar ik heb ges­tudeerd, is er een heel pro­gressief fiet­snetwerk en een fiets­cul­tu­ur. Hoewel ik daar een auto had, fiet­ste ik er ook elke dag. In de eerste weken dat ik daar woonde, hoorde ik van de oud­ere stu­den­ten: ‘Het eerste wat je doet in Davis is een fiets kopen.’ ”

Wat voor onder­zoek doet u op dit moment?

“Het the­ma dat ik heb geïn­tro­duceerd vanu­it de leer­stoel is het idee van sys­tems of iner­tia (weer­standssys­te­men, red.). Om onze mobiliteitssys­te­men te veran­deren moet er gedacht wor­den in sys­te­men. Het is meer dan mensen gewoon te over­tu­igen de fiets te nemen, zo makke­lijk is het niet. We moeten niet enkel denken aan het indi­vidu, maar aan de inter­sec­tion­aliteit van de iden­titeit­en van dat indi­vidu. Die wordt bepaald door leefti­jd, gen­der, etniciteit etc., waar­door iedere mobiliteit­ser­var­ing uniek is.”

“Tegen het pro­ces richt­ing een min­der auto-afhanke­lijke maatschap­pij zal er ongetwi­jfeld weer­stand ontstaan”

“Daar­naast moeten we kijken naar de samen­lev­ing. Tegen het pro­ces richt­ing een min­der auto-afhanke­lijke maatschap­pij zal er ongetwi­jfeld weer­stand ontstaan. Daar moeten we strate­gisch mee omgaan. Dat is wat ik bedoel met de iner­tia, een con­cept uit de natu­urkunde. Om veran­der­ing mogelijk te mak­en, moeten we ook kijken naar gemeen­schap­pen, organ­isaties en insti­tu­ties. Ik hou mij vooral bezig met het effect dat fiet­sen heeft op de maatschap­pij. Zo zorgt een hoog fiets­ge­bruik voor veiligere open­bare ruimtes, autonomie voor kinderen en een dal­ing van obe­si­tas in de samen­lev­ing. We kun­nen de fiets gebruiken om aller­lei fenome­nen te bestud­eren, als een soort lens. Wij noe­men dit een bound­ary object, waarmee bijvoor­beeld sociale gewoontes kun­nen wor­den bestudeerd. Ik denk eigen­lijk dat het doel niet per se meer fiet­sen is, maar eerder de gevol­gen van een fiet­safhanke­lijke maatschap­pij.”

Heeft u sug­gesties voor welke andere maa­trege­len de stad en de uni­ver­siteit zouden kun­nen toepassen?

“De voor­ma­lige schep­en van mobiliteit, Fil­ip Wat­teeuw, heeft veel gedurfde inspan­nin­gen geleverd om de tran­si­tie van Gent te onder­s­te­unen. Ik weet dat er des­ti­jds veel span­nin­gen, angst en onzek­er­heid waren rond het cir­cu­latieplan. In de poli­tiek is het erg uitda­gend om ieders belan­gen en ideeën te com­bineren. Tegelijk­er­ti­jd doen politi­ci dit zon­der de zek­er­heid dat hun ideeën zullen werken. Het is dus een erg onzekere omgev­ing, en gedurfde beslissin­gen die ingaan tegen de norm roepen vaak angst en weer­stand op. 

“Het doel is niet per se meer fiet­sen, maar eerder de gevol­gen van een fiets­maatschap­pij”

“Ondanks die onzek­er­heid hebben Fil­ip en zijn team het cir­cu­latieplan doorgevo­erd en dat is nodig. Als we kijken naar wat het cir­cu­latieplan heeft bereikt, zien we dat de ver­keersvei­ligheid is ver­be­terd en de uit­stoot is ver­min­derd. Er is een hele geschiede­nis van activisme in Gent, een geschiede­nis van de wens om de ruimte voor auto’s te verkleinen. Dit laat zien dat vooruit­gang boeken betekent dat we echt de rol van de auto moeten in vraag stellen. Ik denk dat de stu­den­tenge­meen­schap en het acad­emisch per­son­eel ook beter ingezet kun­nen wor­den in dis­cussies over mobiliteit en de leef­baarheid van de stad. De UGent heeft ongeveer 50.000 stu­den­ten en 15.000 per­son­eel­sle­den, dus in totaal 65.000 mensen. Als je kijkt naar de totale bevolk­ing van Gent, die rond de 260.000 ligt, dan beslaan stu­den­ten en per­son­eel ongeveer 20% van de bevolk­ing. Dat betekent dat de verdel­ing van de pub­lieke ruimte hierop afgestemd zou moeten wor­den. Stu­den­ten en per­son­eel gebruiken vooral fiet­sen en het open­baar ver­vo­er, dus waarom is er nog steeds geen beter fiet­sroutenetwerk tussen de ver­schil­lende cam­pussen? Waarom is er niet veel meer fietspar­keer­plek? Deze groep brengt geen auto’s mee de stad in, maar draagt wél sub­stantieel bij aan de economie van Gent. Het recht van die groep op veilige strat­en en een goed ingerichte open­bare ruimte zou meer gewaar­borgd moeten wor­den.”

Wat vin­dt u van e‑bikes, aangezien ze de laat­ste tijd veel pop­u­laird­er zijn gewor­den? 

“Over e‑bikes valt er veel te observeren, ook vanu­it een cul­turele inval­shoek. In de Ned­er­landse cul­tu­ur, die voortkomt uit de calvin­is­tis­che tra­di­tie, is het zo dat je niet moet proberen boven de rest uit te steken. Er is een maatschap­pelijke norm rond beschei­den­heid en het niet te opval­lend willen zijn. Ik denk dat dit deels ook in Vlaan­deren geldt. Fiet­sen wor­den gezien als een gebruiksvoor­w­erp, een prak­tisch hulp­mid­del, maar met de opkomst van e‑bikes is de fiets ook steeds meer een sta­tussym­bool gewor­den.”