Een deeltjesversneller, hoe werkt dat?


Een deeltjesversneller. Dat er in Zwitserland een staat, weet je wellicht. Hoe het precies werkt en waarvoor het dient, is lang niet zo bekend. Wat kan je tenslotte aanvangen met een holle ring die meer dan dubbel zo groot is als de Gentse binnenring?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/10/2023 – 9:51 door Dries Blon­trock

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

De boeiend­ste zak­en in de fys­i­ca zijn meestal ofwel gigan­tisch groot, ofwel gigan­tisch klein. De meeste mensen begri­jpen hoe de weten­schap­pers de eerste cat­e­gorie bestud­eren. Plan­eten, ster­ren en hele melk­weg­s­telsels kun­nen ze door de lens van tele­scopen bek­ijken, die als een soort enorme ver­rek­ijk­ers in de ruimte hangen. Maar hoe ontle­den weten­schap­pers de allerkle­in­ste ele­menten waaruit alles op aarde is opge­bouwd? Een microscoop helpt je maar zover, en op een bepaald moment moet je met zwaar geschut komen aanzetten: de deelt­jesver­sneller.

Rijstkorrel

Een deelt­jesver­sneller doet wat hij belooft. Het is een instru­ment dat deelt­jes ver­snelt. De deelt­jes in kwest­ie bevin­den zich op het sub­atomaire niveau, en zijn dus klein­er dan atom­en. Dat zijn die din­gen die net­jes opgeli­jst staan in de tabel van Mendele­jev, en bestaan uit een kern waar elek­tro­nen rondzw­even. In de kern vind je neu­tro­nen en pro­to­nen terug. Die laat­ste twee bestaan op hun beurt uit quarks, die samen­klit­ten tot hadro­nen. Quarks zijn de kle­in­ste fysis­che deelt­jes die weten­schap­pers al hebben kun­nen waarne­men. Hoe klein pre­cies? “Mocht een atoom even groot zijn als de aarde, dan is het vin­den van een quark in een atoom even moeil­ijk als iets vin­den in het vol­ume van de aarde dat klein­er is dan een rijstko­r­rel”, zo legde pro­fes­sor Jor­gen D’hondt het uit in zijn optre­den bij de Uni­ver­siteit van Vlaan­deren.

Met weer­stand brandt een kabel die onder 11.800 ampère staat gewoon­weg op

Om die kleine deelt­jes te bestud­eren, moeten weten­schap­pers ze eerst kun­nen zien. Met micro­scopen lukt het niet, dus moeten ze cre­atief zijn. Dat is waar de ‘ver­sneller’ in het spel komt. De bek­end­ste ver­sie ervan is wellicht de Large Hadron Col­lid­er (LHC) van de Europese onder­zoek­sor­gan­isatie CERN. Er bestaan ver­snellers in alle mat­en en gewicht­en, maar in dit artikel beperken we ons tot de iconis­che LHC. Het is de groot­ste deelt­jesver­sneller ter wereld. De ringvormige tun­nel heeft een omtrek van 26,7 kilo­me­ter. Ter vergelijk­ing: de Gentse kleine ring R40 is 11,5 kilo­me­ter lang. De Zwit­serse joekel bevin­dt zich boven­di­en op ongeveer hon­derd meter diepte.

Higssbowadde?

Via een netwerk van andere, kleinere rin­gen komen deelt­jes in de LHC terecht. Die deelt­jes, door­gaans pro­to­nen of elek­tro­nen, kri­j­gen dan bij elke ronde in de ring meer elek­trische span­ning mee, waar­door ze steeds sneller gaan rond­draaien. Daar is een paar miljoen volt voor nodig. Een gewoon stop­con­tact moet het doen met 230 volt. Om zo een snel deelt­je cirkels te lat­en draaien, is ook een reusachtige mag­netis­che kracht nodig. Via supergelei­dende mag­neten die onder 11.800 ampère staan, creëren weten­schap­pers in het CERN een mag­netisch veld dat de deelt­jes op koers houdt. Een stop­con­tact staat dan weer onder 16 ampère. Die supergelei­ders werken alleen behoor­lijk aan een tem­per­atu­ur van ongeveer 271 graden Cel­sius onder nul. Alleen dan valt de weer­stand tegen elek­triciteit weg. Met weer­stand brandt een kabel die onder zoveel stroom staat gewoon­weg op. 

Als de deelt­jes vol­doende snel­heid hebben, lat­en de onder­zoek­ers hen tegen elka­ar bot­sen. Die bots­ing vin­dt plaats in een detec­tor, die alle rond­vliegende brokstukken reg­istreert. Die brokstukken zijn dan quarks, lep­to­nen en boso­nen. Zo puzze­len weten­schap­pers stap voor stap bijeen hoe de kle­in­ste deelt­jes in het uni­ver­sum func­tioneren. Een belan­grijke stap daarin kwam er in 2012, toen in de LHC het hig­gs­bo­son gevon­den werd. Dat deelt­je was nodig om het stan­daard­mod­el van de deelt­jes­fys­i­ca te lat­en klop­pen. Het hig­gs­bo­son geeft alle andere deelt­jes mas­sa, waar­door ze niet gewicht­loos aan licht­snel­heid door het uni­ver­sum bewe­gen.