Ik leef in een koffer


Begin april bereik­te ik de geze­gende leefti­jd van 23. Plots kwam het besef: ik leef al 5 jaar uit een kof­fer. Toen ik 18 was, vond ik dat best sto­er, zo always on the road. Mijn oud­ers zijn ver­spreid over het land als het Saharazand dat autora­men ver­duis­tert. Een volgestouwde valies vergezeld door het gelu­id van eeuwig rol­lende wielt­jes…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 1/05/2022 – 21:23 door Char­lotte Mon­bailleu

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Begin april bereik­te ik de geze­gende leefti­jd van 23. Plots kwam het besef: ik leef al 5 jaar uit een kof­fer. Toen ik 18 was, vond ik dat best sto­er, zo always on the road. Mijn oud­ers zijn ver­spreid over het land als het Saharazand dat autora­men ver­duis­tert. Een volgestouwde valies vergezeld door het gelu­id van eeuwig rol­lende wielt­jes en de zijdezachte stem van die vrouw van de NMBS … beter dan dat kan het vast niet wor­den. Mijn valies is mijn per­soon­lijke Vil­la Kakel­bont, vol gestreken doch iet­wat ver­from­melde kleren. Daar zag ik geen grat­en in. Iedere plooi was een avon­tu­ur. Een ver­loren sok hier, een ver­geten T‑shirt daar − Pip­pi Langk­ous is er hele­maal niks bij. 

De trein was mijn eeuwig vat vol ver­halen: immer char­mant, eeuwig muf. De trein baant zich een weg langs dor­pen die lang gele­den al gestor­ven zijn, maar de inwon­ers nog net niet. Of langs café ‘Het Paradi­js’, waar je tussen het bord van een afge­wassen bier­merk en goed­kope witte stoe­len een opgestapelde hoop herin­ner­in­gen ziet aan dagen die ooit goed waren, met zwi­j­gende oude man­nen die goud­kleurig bier sipten. Café ‘Het Paradi­js’ is ges­loten, de man­nen zijn dood en de stoe­len ver­sleten. Maar som­mige man­nen drinken bier op de trein. Soms ver­raadt hun buik dat het niet de eerste keer is dat ze dat doen. De man­nen naast mij lachen onge­makke­lijk met elka­ar. Ze delen een vierz­it. Dat schept een band. Ze prat­en over oud zijn. Ik kan niet meep­rat­en, ik ben namelijk niet oud. Ze prat­en over hoeveel water velden kun­nen opne­men. Ik kan niet meep­rat­en, het inter­esseert me namelijk niet. Uit een donker­groene cam­ou­flagerugzak die ik bij­na niet zag staan op de gri­js­getrokken tre­in­stoe­len, gooit een man stiekem schel­let­jes kip­pen­wit in zijn mond. Het ging zo snel dat als hij een kikker was geweest, ik had kun­nen zweren dat hij het met zijn tong had gedaan. Het moment dat het kip­pen­wit zijn mond in vloog, is het moment dat de trein voor mij zijn charme ver­loor. 

Ik was alti­jd een beet­je over­al, nu ben ik vooral over­al een beet­je ner­gens

Ik was alti­jd een beet­je over­al, nu ben ik vooral over­al een beet­je ner­gens. Het gelu­id van de wielt­jes van mijn valies klinkt niet langer avon­tu­urlijk. Het gerol doet me denken aan vapeurs en volksver­huizin­gen in Gent-Sint-Pieters, aan de geur van gebakken uien en Luikse wafels uit bouw­val­lige hok­jes. Ik heb geen flauw idee hoeveel kleren ik eigen­lijk heb. Het is als een soort dias­po­ra van mijn kleerkast: een broek bij mama, een trui bij papa, een jog­ging bij mijn lief en 26 onder­broeken op mijn kot. Het is alsof ik een soort per­soon­lijke nest­drang heb, gedreven door het magis­che idee dat al mijn spullen op één plaats liggen. Onlangs betrapte ik mezelf er zelfs op dat ik over­woog een klein strijk­i­jz­er te kopen, een begin­nersmod­el.