“Examens heb ik nooit graag afgenomen”


Proffen komen, proffen gaan, alleen Boone blijft bestaan. En toch is het zover: de legendarische mediëvist en docent aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte gaat met pensioen. Professor Boone blikt terug op zijn loopbaan en kijkt vooruit naar de toekomst.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 11/10/2021 – 11:07 door Stef De BaedtsChar­lotte Mon­bailleu

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Zelf zal hij het miss­chien niet zo graag horen, maar Marc Boone was intussen zo’n mon­u­ment aan de UGent dat hij bij­na een studieob­ject voor zijn eigen geschiedenis­stu­den­ten was gewor­den. Naar aan­lei­d­ing van zijn emer­i­taat ver­welkomde hij ons in zijn huis en tuin.

Geboorte van een historisch criticus

Wij ken­nen u vooral als docent van het vak His­torische Kri­tiek (HK), maar hoe bent u in de acad­emis­che wereld terecht­gekomen?

“Ik heb in de jaren ’70 in Gent ges­tudeerd en nadat ik was afges­tudeerd, heb ik eerst een andere job en leg­er­di­enst gedaan. Pas daar­na begon ik met doc­tor­eren bij mijn patron Wal­ter Pre­ve­nier, de man die vóór mij HK doceerde. Na mijn doc­tor­aat heb ik nog een paar keer geswitcht, maar ik ben nooit meer wegge­weest van de UGent. Toen mijn pro­mo­tor in 1999 op pen­sioen ging, was ik al jaren voor­di­en de man achter de scher­men. HK doceren was dus een logis­che stap.”

“We moesten een ‘verk­lar­ing van onmis­baarheid’ opstellen”

U bent mediëvist, wat trekt u zo aan tot de mid­deleeuwen?

“Toen ik begon met stud­eren heb ik getwi­jfeld tussen de mid­deleeuwen en de 19e en 20e eeuw. Ik heb uitein­delijk gekozen op basis van de les­gev­ers. Ik wou graag bij Wal­ter Pre­ve­nier mijn the­sis mak­en en aangezien hij ook in de late mid­deleeuwen en de Bour­gondis­che peri­ode gespe­cialiseerd is, ben ik die richt­ing uit­ge­gaan. Dat is een oude tra­di­tie in de Gentse mediëvistiek; voor Wal­ter Pre­ve­nier had je Hans Van Werveke en Hen­ri Pirenne. Je stelt natu­urlijk steeds andere vra­gen in de geschied­schri­jv­ing, maar je bor­du­urt in zekere zin alti­jd voort op het werk van de vorige gen­er­atie. Ik denk dat dat ook het geval is bij dege­nen die bij mij komen, want de relatie tussen een pro­mo­tor en een doc­tor­aatsstu­dent is tamelijk per­soon­lijk. Dat is een vrij nor­maal en bij­na organ­isch pro­ces.”

Goede con­tacten zijn dus onmis­baar. Wat is er nog belan­grijk op de acad­emis­che werkvlo­er?

“Wat je zek­er niet mag onder­schat­ten in een acad­emis­che loop­baan is toe­val: op het juiste moment op de juiste plaats zijn. Had ik in de jaren vóór mijn aanstelling niet in het Nation­aal Fonds voor Weten­schap­pelijk Onder­zoek gezeteld, dan had ik helaas − zoals vele post­doc­tors nu − miss­chien maar even kun­nen bli­jven. Maar het was mijn geluk dat ik met dat man­daat kon bli­jven zit­ten. In die zin speelt je geboorte­da­tum een belan­grijke rol. Je moet klaarstaan mét een doc­tor­aat, mét pub­li­caties en mét een dossier op het einde van een gen­er­atie. Toen het niet goed ging met de uni­ver­siteit in de jaren ’80, zijn er heel veel mensen moeten afvloeien die niet dezelfde kansen hebben gekre­gen als ik.”

Verklaring van onmisbaarheid

Waren de jaren ’80 ook een moeil­ijke peri­ode in uw loop­baan?

“In de jaren ’80 waren we offi­cieel uit­geroepen tot ‘bedri­jf in moeil­ijkhe­den’. Ik herin­ner me dat wij als assis­ten­ten elk jaar een ‘verk­lar­ing van onmis­baarheid’ moesten opstellen: een argu­men­tatie waarom wij onmis­baar waren bin­nen onze oplei­d­ing. Dat luk­te wel bij mij (lacht). Hoe dan ook, de sfeer die er heerst als je jaar­lijks die oefen­ing moet mak­en, is niet leuk. In die tijd had­den wij ook absolu­ut niet dezelfde faciliteit­en als nu. De stu­den­ten moesten op de eerste dag van het acad­e­mie­jaar op een papiert­je gaan kijken welke lessen zij wan­neer had­den. Het voor­bi­je jaar heb ik mij dik­wi­jls afgevraagd hoe de uni­ver­siteit in die peri­ode een pan­demie had moeten doorstaan. Wellicht zou de uni­ver­siteit dan ges­loten moeten wor­den.”

“Ik hoop vol­gend jaar revanche te nemen op de pan­demie door nog één vak te doceren”

Gespro­ken over de pan­demie: hoe heeft u die ervaren?

“Frus­tr­erend. Het was mijn laat­ste acad­e­mie­jaar en ik wou voor de laat­ste keer met volle goest­ing les­geven, maar dan zit je daar in een groot audi­to­ri­um met één stu­dent per vijf stoe­len − iedereen met een mond­masker. Ik hoop vol­gend jaar in die zin toch nog revanche te nemen op de pan­demie door nog één klein vak te doceren. Dat con­tact met de stu­den­ten zal ik mis­sen. Ik vond het alti­jd merk­waardig om de blikken van eerste­jaarsstu­den­ten te zien in het begin van elk acad­e­mie­jaar. Wat mij ook alti­jd zal bijbli­jven, is hoe stu­den­ten evolueren. Op die cru­ciale vier jaar word je gevor­md qua per­soon­lijkheid en atti­tude … alles eigen­lijk.”

“Stu­den­ten schreven: ‘Het spi­jt me, ik vond het vak inter­es­sant, maar ik kon niet meer’ ”

Hebben stu­den­ten in coro­nati­jd dat rijping­spro­ces vol­gens u anders meege­maakt?

“Ze hebben sowieso soci­aal con­tact gemist. Ik heb HK in bei­de semes­ters afgenomen en de eerste resul­tat­en waren duidelijk beter dan die erna. Ik merk­te als les­gev­er dat er toen iets gebro­ken is bij veel stu­den­ten. Op het exa­m­en schreef een aan­tal stu­den­ten din­gen als: ‘Het spi­jt me, ik vond het een inter­es­sant vak, maar ik kon niet meer.’ Zulke directe getu­igenis­sen bli­jven een mens toch bij. De uni­ver­siteit is belan­grijk om din­gen op te steken, maar toch ook zek­er om een netwerk uit te bouwen waar je lat­er op terug kan vallen. Hopelijk komt dat nu alle­maal weer terug. Het is wel … (bli­jft even stil)”

Aan­passen?

“Ja, voor stu­den­ten toch. Voor ons, ach ja. Vorige week heb ik mijn aller­laat­ste fac­ul­teit­sraad meege­maakt. Er was een uit­ge­lat­en sfeer: ‘ein­delijk zien we elka­ar nog eens’. Twintig kop­pen in een hok­je op je scherm, dat is absolu­ut niet het­zelfde. Je ziet wel mensen prat­en en hebt geen idee hoe men reageert. Al een geluk dat Zoom en al die din­gen bestaan, maar ik zal er niet rouwig om zijn als ik een aan­tal van die programma’s kan uitschake­len op mijn com­put­er.”

In 2010 bent u com­man­deur in de Kroonorde van Bel­gië gewor­den: voor welke ver­di­en­ste was dat?

“Ik ben prof natu­urlijk, maar ook lid van de Konin­klijke Acad­e­mie in Brus­sel. Van die twee instanties kreeg ik de vraag of ik een onder­schei­d­ing wou. Ik wist niet eens waar­voor ik kan­dideerde, en toen bleek dat com­man­deur te zijn. Ze hebben er ongetwi­jfeld ingewikkelde tabellen voor. Dat ereteken mag ik dra­gen op mijn toga tij­dens plechtige gebeurtenis­sen zoals Dies Natal­is en de open­ing van het acad­e­mie­jaar.”

“Alle wijnen zijn interessant”

En nu uw pen­sioen eraan komt: met welke passie zal u uw dagen vullen?

“Met mid­deleeuwse geschiede­nis, in de eerste plaats! Collega’s in de geneeskunde hebben patiën­ten nodig, de weten­schap­pen toe­gang tot een labo, maar wij his­tori­ci kun­nen naar een archief gaan zolang we er mon­ter genoeg voor zijn. Ken­nelijk weet de buiten­wereld al heel goed dat ik met pen­sioen ga, want ik kri­jg erg veel uitn­odigin­gen voor lezin­gen. Ze zeggen alti­jd: “nu zult ge wel tijd hebben”, maar bon, zo bli­jf je wel bezig. Als ze mij nodig hebben, zullen ze mij wel weten te vin­den. En als ik het leuk vind, zal ik het ook graag doen. Maar al de admin­is­tratieve rom­mel, dat is nu gelukkig voor andere mensen. Ieder om beurt (lacht). Ook exa­m­ens heb ik nooit graag afgenomen, vooral nu niet in het coro­n­a­jaar. Het enige voordeel was dat je zon­der prob­le­men aan je tien­duizend stap­pen kwam.”

“Ik hou van wijn in het alge­meen, maar met Bour­gondië heb ik een spe­ciale band”

Wij hebben uit goede bron ver­nomen dat u een groot liefheb­ber bent van Bour­gondis­che wij­nen. Wat zijn uw favori­eten?

“(lacht) Ik hou van wijn in het alge­meen, maar met Bour­gondië heb ik een spe­ciale band. Ik ken er de geschiede­nis, maar ook de mensen. Maar ik zou zeggen: ‘Alle wij­nen zijn inter­es­sant.’ ”

Welk advies geef je aan star­tende en afs­tud­erende stu­den­ten?

“Tegen starters zou ik zeggen: doe vooral wat je graag wilt doen. Ik heb in mijn car­rière ontzettend veel stu­den­ten gek­end die de eerste jaren iets studeer­den dat hen eigen­lijk niet boei­de. Dat is zonde. Als je goed bent in wat je doet en dat ook graag doet, dan komt daar wel iets uit. Daar­naast hoop ik dat heel wat jonge mensen ook de weg naar het onder­wi­js vin­den. Afs­tud­erende stu­den­ten: vertrouw in jezelf, je vrien­den, je netwerk en de waar­den die je opgepikt hebt aan de uni­ver­siteit. En vooral: vergeet niet om af en toe eens terug te keren naar je alma mater.”