Paul Verhaeghe met emeritaat: het afscheidsinterview


Gewoon hoogleraar aan de faculteit Psychologische en Pedagogische Wetenschappen (FPPW), deskundige in de psychoanalyse en auteur van verschillende bestsellers: de UGent verliest met het emeritaat van Paul Verhaeghe een van haar voornaamste professoren.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 27/09/2021 – 7:31 door Ella RooseLieselotte Van­deputte

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Ondanks de vele tekenin­gen van kleinkinderen aan de muur kan je Paul Ver­haeghe niet beschuldigen van groot­vader­al­lures. Klaar met lezen, schri­jven en zich maatschap­pelijk engageren is hij nog lang niet. Pro­fes­sor Ver­haeghe blikt terug op zijn tijd aan de UGent.

Hoe is de uni­ver­siteit geëvolueerd tij­dens uw car­rière?

Als ik vergelijk met twintig, der­tig jaar gele­den, is het onder­wi­js fenom­e­naal ver­be­terd: er zijn betere docen­ten en de vakken zijn ook meer gestroom­li­jnd. Het slechte nieuws is dat de vooruit­gang die we daar geboekt hebben, volledig wegge­spoeld wordt door de overvloed aan stu­den­ten. Wij hebben nu een kleine duizend eerste­jaars aan de FPPW en dat kan je niet langer bol­w­erken. Mocht ik vorig acad­e­mie­jaar het vak ‘cul­tu­ur- en maatschap­pijkri­tiek’ in het echt hebben kun­nen doceren, dan had­den we geen vol­doende groot audi­to­ri­um gevon­den.

Wat de rec­tor deed met de leer­stoel Eti­enne Ver­meer­sch is een flater

Het aan­werv­ing­spro­ces van per­son­eel is ook veran­derd. In het begin van mijn car­rière draaide alles om macht. Mensen wer­den naar voren geschoven omdat ze bij de loge of de katholieken zat­en, met iemand in bed had­den gele­gen, of weet ik veel welke famil­iale relaties had­den. Vanaf mid­den jaren negentig veran­derde dat en ver­schoof de focus naar wie kwaliteit kon bewi­jzen. Dat heeft het land­schap aan de unief echt veran­derd en gemod­erniseerd. Wat de rec­tor recent deed met de leer­stoel Eti­enne Ver­meer­sch is gewoon een flater. Het gaat in tegen de evo­lu­tie van de uni­ver­siteit naar een fat­soen­lijke mer­i­to­cratie. Ten eerste zijn leer­stoe­len afgeschaft, dus dat is op zich al vreemd. En als je daar dan iemand in kat­a­pul­teert met een pro­ce­dure die niets voorstelt, is het pre­cies 1980. Rik Van de Walle heeft geluk gehad dat er toen geen verkiezin­gen waren, want hij is daar heel wat kredi­et ver­loren.

Op welke manier is de vak­groep Psy­cho­analyse en Raad­pleg­ingspsy­cholo­gie veran­derd doorheen de jaren?

Er is alti­jd dis­cussie over de weten­schap­pelijkheid van psy­cho­analyse geweest. Mijn voor­ganger Julien Quack­el­been had geen belang­stelling voor weten­schap­pelijk onder­zoek. Voor hem was klin­isch onder­zoek het enige wat telde. Toen ik de vak­groep over­nam eind vorige eeuw, zei de toen­ma­lige decaan: “Als je wil dat de vak­groep bli­jft bestaan, moet je inzetten op empirisch onder­zoek.” Ik was dat al van plan, maar dan op onze voor­waar­den: met kwal­i­tatief, klin­isch en weten­schap­pelijk onder­zoek. Ik ben vanaf dan assis­ten­ten en docen­ten gaan zoeken die zow­el in psy­cho­analyse, als in sta­tistiek en method­olo­gie uit­blonken. Vanaf pak­weg 2000 zijn wij begonnen met degelijk onder­zoek en we hebben daar een eigen sti­jl in ontwikkeld. We had­den heel snel door dat onder­zoek op grote groepen niet veel opleverde. Daarom hebben we de focus ver­legd naar casestudy’s waar­bij we mensen met zichzelf vergelijken doorheen de tijd. Wie nu nog beweert dat psy­cho­analyse niet weten­schap­pelijk is, is niet mee. Bin­nen onze vak­groep wordt er heel degelijk onder­zoek gedaan.

Soms kri­jgt psy­cho­analyse de kri­tiek dat zij misog­yn zou zijn. Hoe gaat u daarmee om?

Het is geen enkel prob­leem om ana­lyt­i­ci te vin­den die misog­yn zijn. Het is ook geen enkel prob­leem om ana­lyt­i­ci te vin­den die juist pro­gressief zijn. Als je kijkt naar de Amerikaanse psy­cho­analyse, dan is die heel pro­gressief. De Franse psy­cho­analyse is dan weer oer­con­ser­vatief. Wie je citeert, is dus zek­er van belang. Psy­cho­analyse is een huis met vele kamers, en de psy­cholo­gie in het alge­meen ook. Als je terugk­ijkt naar het werk van Freud is dat eerder dubbelzin­nig. Zijn the­o­rieën en redener­in­gen waren vaak erg pater­nal­is­tisch en patri­ar­chaal; hij was een kind van zijn tijd. Als je leest wat hij zegt over de vrouw, kom je soms zin­nen tegen waar­van je denkt ‘Jezus Chris­tus, wat een achter­lijke. Terzelfder­ti­jd zie je dat hij in zijn verenig­ing alti­jd ruimte heeft gebo­den voor vrouwen.

In uw nieuwe boek ‘Wat brengt u hier?’ bespreekt u een aan­tal maatschap­pelijke ontwik­kelin­gen. Wat maakt uw inval­shoek op de maatschap­pij als psy­cho­an­a­lyti­cus uniek? 

Het spec­i­fiek psy­cho­an­a­lytis­che zit in mijn mens­beeld. Ik ga uit van de idee dat de mens een verdeeld wezen is. Dat klinkt abstract, maar iedereen ervaart dat elke dag. Zo spreken we over ‘ik ben kwaad op mezelf’, ‘ik ben mezelf tegengekomen’ of ‘ik loop weg van mezelf’. Een van de manieren om die verdeeld­heid op te lossen is door het min­der goede stuk van onszelf bij de ander te leggen.

Als je leest wat Freud zegt over de vrouw, kom je soms zin­nen tegen waar­van je denkt ‘Jezus Chris­tus, wat een achter­lijke’

Freud beschri­jft hoe je dat terugvin­dt in de poli­tiek en in heel wat maatschap­pelijke beweg­in­gen. Een gevolg van die verdeeld­heid is dat je ervan uit kan gaan dat er alti­jd een onbe­ha­gen zal zijn, een span­ning tussen het indi­vidu en de samen­lev­ing. Dat onbe­ha­gen heeft niet alleen te mak­en met de kwaliteit van de samen­lev­ing, maar ook met het feit dat die interne verdeeld­heid bestaat. We moeten de twee kan­ten bek­ijken.

U heeft het in uw boek ook over relaties en liefde. Klopt het dat de huidi­ge jonge gen­er­atie op voor­hand al het idee heeft dat een relatie gaat mis­lukken?

Een van de uit­sprak­en van Lacan luidt: “Il n’y a pas de rap­port sex­uel”. De belan­grijk­ste beteke­nis van die uit­spraak is dat er geen vast­staand mod­el is voor een liefdesre­latie. Wij vullen onze liefdesver­houdin­gen in met wat onze cul­tu­ur voor­spiegelt. Het beeld dat van­daag via de main­stream media voorge­houden wordt, is mis­lukking. Dat zie je in films, lit­er­atu­ur, boeken, en zoi­ets heeft effecten. Het zorgt ervoor dat veel jonge mensen ervan uit­gaan dat de kans op een ges­laagde relatie niet zo groot is. Ter­wi­jl een omge­keerde redener­ing veel posi­tie­vere effecten kan hebben: stap  in een liefdesver­houd­ing met het idee dat het niet een­voudig is, en dat je je er wel voor moet engageren. Dat vind ik een veel beter vertrekpunt.

Wat denkt u over de stu­dent die op Tin­der zit? 

Tin­der is een sek­sapp en illus­treert de evo­lu­tie van sek­su­aliteit. Seks is tegen­wo­ordig los­gekop­peld van een lang­durige relatie, ter­wi­jl er vroeger een maatschap­pelijk verwachte kop­pel­ing was tussen liefde en sek­su­aliteit. De ontkop­pel­ing is nieuw. Voor zover ik daar zicht op heb, zie ik veel jon­geren eens ze de der­tig naderen toch een duurzame relatie aan­gaan. Het tin­deren is dan gedaan en plots wordt het werke­lijk. 

Hoe ziet u uw emer­i­taat, bent u van plan om nog meer boeken te schri­jven?

Ik heb geen vaste plan­nen, behalve dat ik een beperk­te prak­tijk als psy­cho­an­a­lyti­cus zal bli­jven behouden. Ik zal sowieso bli­jven lezen en schri­jven om de een­voudi­ge reden dat ik dat heel graag doe. Ik ben niet van plan om nog tak­en op te nemen aan de uni­ver­siteit. Ik heb te veel collega’s van zeventig jaar nog zien toekomen met hun valieske om nog iets te komen doen. Daar werd alti­jd met een zekere mee­warigheid naar gekeken. Wat ik zal mis­sen is het les­geven. Bij lessen kan je iets opbouwen, ook in je eigen denken, en dat ben ik kwi­jt. Veel van mijn boeken bevat­ten gedachte­gan­gen die ontwikkeld zijn tij­dens col­leges.

Om af te sluiten, de Boeken­toren als fal­lussym­bool: wat denkt u? 

Ik denk niet dat je de psy­cho­analyse nodig hebt om te zien dat die fal­lis­che con­cur­ren­tie bij man­nen heel sterk aan­wezig is. Man­nen willen alti­jd de lang­ste hebben, en in het geval van gebouwen, de hoog­ste. Los daar­van vind ik de Boeken­toren van Van de Velde prachtige archi­tec­tu­ur.