Facul-tea: Bio-ingenieurswetenschappen


Boerenpummels, hoge werklast of stevige feestvierders? Marc Van Meirvenne, decaan van de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen breekt een lans voor zijn studenten.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 2/11/2020 – 10:08 door Mick Menu

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

“Bio-ingenieurs zijn boeren.”

“Vroeger was dat zek­er zo, maar nu hele­maal niet meer. Tussen 1920 en 1969 waren wij een land­bouwhogeschool waaraan nog niet eens twintig stu­den­ten afs­tudeer­den. Die stu­den­ten waren inder­daad vaak nauw ver­bon­den met het boeren­m­i­lieu. In die peri­ode vin­den we ook de oor­sprong van de bij­naam van ons gebouw, het Boerekot, dat eind jaren 30 gebouwd is.

In 1969 werd de oplei­d­ing een fac­ul­teit bin­nen de uni­ver­siteit. In 1991 werd de focus op land­bouw ver­breed tot de bio-inge­nieur­sweten­schap­pen. Toen is de focus enorm ver­ruimd, onder meer naar milieu‑, voed­ings- en biotech­nolo­gie.

Op dit moment vol­gt min­der dan 15 pro­cent de richt­ing ‘land­bouwkunde’. Veel van die stu­den­ten komen uit het boeren­m­i­lieu, maar in totaal gaat het dus om een beperkt aan­tal. De overige 85 pro­cent studeert in richtin­gen die absolu­ut niet recht­streeks naar het land­bouwm­i­lieu lei­den. ‘De boeren’ is dus een beet­je een geuzen­naam waar wij met fier­heid onze iden­titeit aan ontle­nen, maar het strookt niet meer met de realiteit.”
 

“De faculteit Bio-ingenieurswetenschappen is voornamelijk mannelijk.”

“Op een totaal van 1200 stu­den­ten hebben we eigen­lijk een fifty­fifty verdel­ing van man­nen en vrouwen. Op stu­den­ten­niveau zijn we dus een voor­beeld­fac­ul­teit wat het even­wicht tussen man­nen en vrouwen betre­ft. Dezelfde verdel­ing vin­den we terug op het niveau van de doc­tor­an­di, waar tevens de helft Bel­gisch en de andere helft buiten­lands is. Op post­doc– en ZAP-niveau begint het aan­deel man­nen inder­daad grot­er te wor­den.

We hebben ongeveer een kwart vrouwelijke pro­fes­soren en daar is al jaren weinig veran­der­ing in te bespeuren. We proberen daar iets aan te doen, maar we stellen vast dat die ver­houd­ing ook terugkomt in de hon­der­den kan­di­da­turen voor pro­fes­soren­posi­ties. Het ima­go dat ver­bon­den is aan de posi­tie van prof aan onze fac­ul­teit blijkt rem­mend te zijn voor vrouwen en we hebben daar weinig vat op.”
 

“Bio-ingenieurs hebben continu les.”

“Dit klopt. Ik heb een zoon die al enkele jaren gele­den aan de fac­ul­teit is afges­tudeerd en heb dit dus thuis kun­nen merken. Onze uur­roost­ers zijn heel druk bezet, omdat wij aan elk vak even­veel uren practicum als hoor­col­lege toeken­nen. Op die manier ger­aakt het uur­roost­er aardig gevuld.”

‘De boeren’ is een geuzen­naam die niet meer strookt met de realiteit

“Het is inder­daad een oplei­d­ing met een zeer grote werk­last. Als je dat niet kan opbren­gen haal je het einde van het eerste semes­ter niet; we zien ook dat er op dat moment een eerste schift­ing gebeurd. Veer­tig pro­cent van de nieuwe stu­den­ten zijn voor alles ges­laagd na de tweede zit­ti­jd en dat is toch wel redelijk goed. Onze oplei­din­gen zijn sowieso vrij selec­tief en spec­i­fiek. Je moet dus gedreven en geïn­ter­esseerd zijn om te sla­gen aan onze fac­ul­teit.”
 

“Bio-ingenieurs kunnen de bloemetjes stevig buitenzetten.”

“Wij hebben inder­daad een zeer goed func­tionerende stu­den­ten­v­erenig­ing. Zij zijn, net als in de Dier­ge­neeskunde en bij de burg­er­lijk inge­nieurs, een tra­di­tion­eel sterke stu­den­ten­v­erenig­ing. Ze kri­j­gen vanu­it de fac­ul­teit dan ook alle ste­un en een eigen lokaal. We proberen alti­jd zeer mee­gaand met elka­ar om te gaan en die samen­werk­ing ver­loopt zeer goed. Ik weet nog uit mijn eigen stu­den­ten­ti­jd dat we ook toen al een heel goede activiteit­en­werk­ing had­den.”