Prof Préféré: Hugo DeBlock


Die ene van historische kritiek, die andere van biomechanica en ook nog dingske van verbintenissenrecht. De UGent barst van de intrigerende professoren. Wie zijn ze en wat doen ze? Maar vooral: wat drijft hen precies? Een exclusieve kijk in de wereld van onze Prof Préféré.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 15/03/2020 – 18:37 door Ayala IstasKeanu Col­paert

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Hugo DeBlock is pro­fes­sor Antropolo­gie aan de UGent. Hij schreef voor Rek­to Ver­so twee artikels over de twi­jfelachtige dekolonisatie van het Africa­Mu­se­um. Waar hij voor leeft? Bijleren van stu­den­ten.  

Als u weer twintig jaar was, wat zou u anders doen? 

“Ik ben vroeg wegge­gaan van huis en vanaf mijn zestiende werk­te ik al volti­jds in de hore­ca, wat reg­uli­er naar school gaan moeil­ijk maak­te. Daarom zat ik op mijn twintig­ste nog in het secundair onder­wi­js – in het beroep­son­der­wi­js, trouwens. De uni­ver­siteit was in zekere zin gemakke­lijk­er aangezien ik niet con­stant gepakt werd op absen­ties. Mocht ik dus opnieuw twintig zijn, zou ik ervoor zor­gen dat ik ver­domd vlug­ger van die school­banken af was. Dat gezegd zijnde, pas op mijn tweeën­twintig­ste begin­nen aan een uni­ver­si­taire oplei­d­ing had zo zijn voorde­len; ik denk dat ik er veel meer uit­ge­haald heb dan mocht ik op mijn acht­tien jaar begonnen zijn. Eigen­lijk heb ik geen spi­jt dat ik pas lat­er ben begonnen met uni­ver­siteit, maar wel een beet­je dat ik zo lang ‘mijn broek heb moeten ver­sli­jten’ in het secundair. Daar was trouwens ook maar één ler­ares, mijn ler­ares kun­st­geschiede­nis, die door had hoe hard ik aan het knokken was om dat secundair diplo­ma te halen.”

Doe je op dit moment waar je alti­jd al van droomde?

“Dat is een moeil­ijke vraag. Ja, eigen­lijk wel. Ik geni­et van lezen en schri­jven, en het is een absolute luxe om dit te kun­nen doen om je boter­ham te ver­di­enen. Ik geni­et eigen­lijk ook best wel van les­geven. Dat grote stam­vak, Inlei­d­ing tot de Antropolo­gie, is alti­jd wel een beet­je ‘optre­den’ en daar kan ik niet alti­jd con­necteren met de stu­den­ten, aangezien nie­mand echt zin heeft om hun hand op te steken voor een vol audi­to­ri­um. De kleinere vakken zijn op dat vlak plezan­ter. Zo lap ik er soms wel eens een ‘decol­o­niz­ing the class­room’ momen­t­je in. Het moeil­ijke aan de job is wel dat ik ver­schil­lende hoed­jes op heb in mijn func­tie waar­door ik soms weinig kan focussen. ”

Met welke icoon zou u wel graag eens een pin­t­je gaan drinken en waarom?

“Er zijn er wel een paar. Mijn eerste keuze zou Michel Fou­cault zijn. Hij was mijn grote voor­beeld toen ik studeerde aan Berke­ley, waar hij ook een tijd doceerde voor­dat hij stierf in 1984. Lat­er bleek dat ik woonde in de straat waar ook hij gewoond had. Ik gebruik­te heel wat van zijn filosofie in mijn emerg­ing anthro­po­log­i­cal think­ing, maar ik zou er ook een pint mee hebben gedronken omdat hij zo rock-‘n‑roll was: een genie en een fuif­beest tegelijk. Andere keuzes liggen meer in de richt­ing van waar ik tegen­wo­ordig mee bezig ben, zoals een babbel met Frantz Fanon, één van mijn absolute helden, of met Patrice Lumum­ba, Mar­tin Luther King en andere stri­jders tegen racisme. Mensen om naar te luis­teren, om al die ver­waar­loos­de stukken wereldgeschiede­nis te helpen plaat­sen, en dat witte kad­er – waar­van we zo van door­weekt zijn dat we het nog amper besef­fen – mee te helpen ont­man­te­len. Het zijn de stem­men die lange tijd amper geho­ord zijn die er het meeste toe doen om inzicht te kri­j­gen in hoe wit ons kad­er is.” 

Als u een drankje was, wat zou u dan zijn?

“Een grote kan Mex­i­caanse mar­gari­ta met een dikke rand extra spicy salt om duimen en vingers bij af te likken.”