Een kunstbelijdenis


Het zijn examens, dus we mogen allemaal wel eens wat ontspannen in plaats van serieuze onderwijsartikels te lezen. Vandaar dit kortverhaal, om toch voor even in een andere wereld te kunnen zijn. 

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 13/05/2019 – 11:42 door Bil­lie ThiessenKeanu Col­paert

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Voor mij zou het alti­jd om liefde gaan. Niet eens de liefde voor een per­soon. Neen, veeleer de liefde voor schoonheid, een soort ado­ratie die niet met het rela­tionele te vergelijken valt. Een passie voor het esthetis­che, en dat zelfs in de mens. Voor mij zijn mensen ook kunst­werken. Er wordt zoveel tijd gesto­ken in het uiter­lijk, waarom zou er dan niet naar gekeken mogen wor­den? Ik geef toe, soms voelt het wat raar om steeds naar mensen te kijken, maar ik kan er niets aan doen. Het gebeurt vanzelf, alsof een hogere macht mij dwingt mijn ogen open te houden voor schoonheid. Een hogere macht die zich ook weer gis­teren liet voe­len, toen ik op een ter­ras­je genoot van een kop koffie en de zon, kijk­end naar de kun­stige pas­san­ten. Niet alti­jd even per­fect natu­urlijk, dat is onmo­gelijk, maar meestal is er aan iedereen wel iets moois. Een mooie neus, fijne han­den, een per­fecte baard, een stral­ende lach …  Als je het alle­maal samen zou nemen, kri­jg je een col­lec­tie waar­bij het Lou­vre verbleekt.

Een vredi­ge ocht­end in de zon met een koffie en een boek is eigen­lijk het ide­ale begin van mijn dag. Het geeft me het gevoel op vakantie te zijn. Een kort moment van rust voor de rush van het alledaagse lev­en begint. Vaak ger­aak ik niet erg ver in het boek, een hoofd­stuk max­i­maal. Ik raak gewoon steeds afgeleid. Een zachte stem, een uit­mun­tende loop­be­weg­ing, iemand die zijn lievel­ingsnum­mer speelt op de gitaar: ze halen mij stuk voor stuk weer uit mijn con­cen­tratie, en ik laat het gebeuren als een gewil­lig slachtof­fer. Zelfs als het mij irri­teerde, zou ik er niks aan kun­nen veran­deren. Geloof mij, ik heb het geprobeerd. Het is meerdere keren gebeurd dat mijn part­ner mij erover aansprak. Zolang ik bewon­derend naar hen keek was er geen prob­leem, maar zodra die bewon­der­ing zich naar andere mensen richtte, ontstond er wrev­el. Van­daar miss­chien de schaamte die ik voel als ik mensen die ik ken bewon­der.

Eigen­lijk was er maar één per­soon waar ik oprecht voor probeerde te veran­deren: Amalia. Zoals dat wel vak­er gaat, was zij voor mij het begin en het einde. Ze was let­ter­lijk beeld­schoon. Ze deed me denken aan de Pië­ta, hoe ze een ongri­jp­bare droefheid uit­straalde. Voor de eerste keer in mijn lev­en wou ik meer dan enkel een bewon­der­aar zijn, ik wou verza­me­len. Het was alsof ik in haar een kunst­werk zag dat ik moest bezit­ten, zodat ik het eeuwig opnieuw kon beleven. Het werd tegen me gebruikt. Ze trok me van de eerste ‘hey’ tot de laat­ste ‘oké’ mee in een wilde stroom aan belevenis­sen en emotie waaruit ik niet ontsnap­pen kon. Met haar zijn was alsof ik van een water­val viel, onzek­er of er zelfs iets was om mij op te van­gen. Soms huiver ik nog als ik een schoonheid zie die me aan de hare doet denken. Dat haat ik nog het meest, de herin­ner­in­gen aan haar die me bli­jven kwellen en de macht die ze daar­door op mij uitoe­fent. Hoe die herin­ner­in­gen ervoor zor­gen dat mijn gewoontes gecor­rumpeerd aan­voe­len, een schim van hoe het vroeger was, toen ik me geen zor­gen moest mak­en om wat een andere per­soon dacht over mijn liefde voor.

Zie, daar passeert een paar lip­pen die geschilderd zouden kun­nen zijn in de Six­ti­jnse Kapel. Doet me denken aan hoe haar won­der­mooie lip­pen trilden van woede als ik haar regels niet vol­gde. Hoe ze naar me schree­uwde als ze weer het gevoel had dat ik naar andere mensen keek. Hoe ze me kuste met de woor­den: “Ik word alleen zo boos omdat ik echt van je hou.” Nee, ik wil hier niet aan herin­nerd wor­den.

Ik breng de koffiekop naar mijn mond. De heer­lijke geur vult mijn hoofd met fijnere herin­ner­in­gen, naar luie zonda­gen in char­mante Ital­i­aanse koffiebars met damp­ende mokken zwart goud. Naar dagen voor haar. Herin­ner­in­gen om de dagen met haar weg te spoe­len.

Daar passeert een prachtig slanke nek, zoals die nek waar ik mijn gezicht in ver­stopte nadat ze me weer eens aan het huilen had gebracht. Die nek die ik zo vaak gekust heb, waar­van ik de zachtheid nog steeds op mijn lip­pen proef. Ik voel haast haar lichaam tegen het mijne, ik zie haast hoe het licht door de gordi­j­nen bin­nen­si­jpelt en ik hoor haast het ges­mak van mijn lip­pen op haar nek.

Ik tegen haar, zij tegen mij. Zo leek het te zijn. Fysiek dan toch, maar vak­er nog men­taal. Ik heb dat eigen­lijk nooit gewild, maar ik voelde mij wel alti­jd alsof ik heimelijk alles opblies. Alsof ik degene was die, zelfs zon­der het door te hebben, alles wat wij samen had­den kapot maak­te. Daarom kan ik geen kunst­werken bezit­ten. Ik maak ze kapot. Of dat is mij toch wijs­ge­maakt.

Heb je ooit al eens geprobeerd om de essen­tie van je zijn te veran­deren, enkel en alleen voor de per­soon waar­van je houdt? Ik zou het niet aan­raden. Het is ver­schrikke­lijk. Je lijkt het zwaard van Damo­cles boven je hoofd te hebben hangen. Voort­durend sluip je rond op je tenen om maar niets fout te doen, geen gelu­id te mak­en. Dan gebeurt het.

Een vrouw met bloed­mooi rood haar, een per­soon met een kwade maar hyp­no­tis­erende blik, een jon­gen die voor­bij wan­delt ter­wi­jl de bladeren rond hem heen draaien. Een eier­schaal breekt.

“Je weet toch dat zo staren naar vreem­den even erg is als vreemdgaan?” Haar woor­den slaan mij als gierende wind rond mijn oren. Ik kijk naar bene­den. Het prachtige kunst­werk dat ik mij had toegeëi­gend is niet meer van mij. “Kijk naar mij als ik tegen je praat!” Een krop in mijn keel. Ik kijk op. Haar blonde haren zweven rond haar hoofd als de slan­gen van Medusa, haar ogen spuwen vuur. Ze kijkt mij recht aan en zegt: “Je bent een ver­schrikke­lijk per­soon. Nooit neem je genoe­gen met wat je hebt, vuile per­vert. Nie­mand kan ooit houden van iemand zoals jij.” Met die woor­den stormt ze weg. Het mooiste kunst­werk dat ik ooit heb gezien, zomaar verd­we­nen, en ik heb het zelf in brand gesto­ken.

Een zongekuste huid horend bij stral­end blauwe ogen, ze kijken recht in de mijne en ik schrik op. In gedachte ver­zonken waren mijn ogen afged­waald naar een nieuw kunst­werk. Niet per­fect, maar die imper­fec­ties maak­ten het kijken inter­es­sant. Zon­der het goed en wel te besef­fen houd ik mijn hoofd een beet­je schuin om alles beter te kun­nen bestud­eren. Deze actie lev­ert een glim­lach op. Hij loopt naar mij toe. Shit, dat was niet de bedoel­ing. Kijk ik snel terug naar mijn boek? Te laat, hij heeft mij al zien kijken. Ik had mijzelf toch niet kun­nen dwin­gen om terug weg te kijken. De lij­nen in zijn lichaam zijn gewoon juist. Hij lijkt bij­na te zweven tij­dens het stap­pen, heer­lijk lichte beweg­in­gen. Ik voel mijn ogen zijn alles innemen, en ik schaam mij. Deze per­soon moet zich enorm bekeken voe­len. Ik zou het zelf ook niet zo fijn vin­den als iemand op deze manier naar mij bleef kijken. Hij lacht. Erg vin­dt hij het duidelijk niet. Is dat geen slecht teken? Over het alge­meen ben ik niet zo’n fan van mensen met een groot ego. Te laat, hij staat aan mijn tafelt­je. Ik adem één keer diep in en uit voor zijn fraaie lip­pen zich van elka­ar ver­wi­jderen.

“Hey”