Een nachtelijk misdrijf


Ik heb van­nacht een mug doo­dges­la­gen. Een schim op de muur, mijn hand schoot omhoog. Pats! De mug kleefde aan mijn vinger­top­pen. Op mijn mid­delvinger prijk­ten wat poot­jes, mijn wijsvinger was getooid in een zwart pig­ment. Op de muur bleef slechts bloed achter. Gerechtigheid was geschied. Het was vier uur ‘s nachts en mijn chauffage…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 16/12/2018 – 15:01 door Pieter­jan Schep­ens

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Ik heb van­nacht een mug doo­dges­la­gen. Een schim op de muur, mijn hand schoot omhoog. Pats! De mug kleefde aan mijn vinger­top­pen. Op mijn mid­delvinger prijk­ten wat poot­jes, mijn wijsvinger was getooid in een zwart pig­ment. Op de muur bleef slechts bloed achter. Gerechtigheid was geschied. Het was vier uur ‘s nachts en mijn chauffage stond ook nog aan.

Mijn slaperige geest was dwaas. Via de mug legde ik de schuld voor mijn slapeloosheid bij iedereen die het kli­maat om zeep had geholpen. Nog muggen op 13 decem­ber! Het doem­beeld bev­ing mij plots dat ik nooit meer koude win­ters zou ken­nen, en ik doorheen het hele jaar opge­jaagd zou wor­den door muggen. Hoe ver­langde ik naar de vriesk­ou die paal en perk zou stellen aan de muggen­ter­reur, naar de tocht­en huiswaarts tij­dens koude win­ter­maan­den die ter beloning zouden eindi­gen op een kot waar ik goed kan sto­ken. Sto­ken! Ah, de vol­doen­ing van de chauffage op stand vijf te draaien en te weten dat de buiten­lucht mij niet meer kan rak­en. Dát is de echte win­ter.

Nog muggen op 13 decem­ber!

Ik woelde verder in de half tot mij doorge­dron­gen warmte. Hoofd­kussen weggelegd, werk­te niet. Licht aan, lezen. Naar het toi­let en het deken van de matras weggetrokken. Een wel­gekomen koelte begroette mijn terug­keer in bed. Toen heb ik de chauffage uitge­draaid en heb ik genoten van mijn resterende drie uur slaap.

Ik weet nog alti­jd niet of mijn nachtelijke ont­wak­en te wijten was aan mijn chauffage of aan de arme mug. De bewi­jzen zijn verdeeld. Ik heb vier uur ges­lapen in de warmte. Ik had de mug niet geho­ord als ik niet wakker was gewor­den, en de beet heb ik amper gevoeld. Ik neig ertoe de mug vrij te spreken. Ik kan mij nu goed voe­len over dat ontwikkelde geweten van mij, dat medeli­j­den voelt met dat kleine, beëindigde lev­en, de mug. De kli­maatop­warm­ers hebben de moord op de mug op hun geweten. Zij ruste in vrede.