Kort


Het had een zekere tristesse hoe ik op die drui­lerige dins­dagocht­end al om negen uur ’s ocht­ends mijn laat­ste beet­je zelf­con­t­role ten grave droeg bij het Bick­y­s­tand­je aan cam­pus Schoon­meersen (Her­mes, 06/11). Zou ik vanaf deze week niet gezon­der gaan lev­en? Was ik niet voor de zoveel­ste keer van plan om ‘vanaf gis­teren’ mijn lev­enssti­jl rad­i­caal…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 4/11/2018 – 17:10 door Emi­lie Devreese

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Het had een zekere tristesse hoe ik op die drui­lerige dins­dagocht­end al om negen uur ’s ocht­ends mijn laat­ste beet­je zelf­con­t­role ten grave droeg bij het Bick­y­s­tand­je aan cam­pus Schoon­meersen (Her­mes, 06/11). Zou ik vanaf deze week niet gezon­der gaan lev­en? Was ik niet voor de zoveel­ste keer van plan om ‘vanaf gis­teren’ mijn lev­enssti­jl rad­i­caal om te gooien teneinde te voorkomen dat ik lat­er als uit­ge­bluste veer­tiger niet meer in staat zou zijn om afscheid te nemen van mijn dagelijkse por­tie rood vlees, chips voor de tv na het werk en fri­eten op vri­jdag? Wou ik niet ver­mi­j­den dat ik me over enkele jaren genoodza­akt zou zien, net zoals al mijn buren in de res­i­den­tiële wijk waar ik hoogst­waarschi­jn­lijk zal wonen, te starten met Start to Run in de illusie dat ik zo mijn aftake­lende lijf wel weer in vorm zou kri­j­gen en ik ooit nog eens een halve marathon zou kun­nen uit­lopen? Op zich had ik daar toen al mee kun­nen begin­nen, met Lopen rond de Water­sport­baan (VTK, 12/11), maar dat was me uitein­delijk alti­jd wat te ver fiet­sen. Ik keek om me heen. Al mijn col­le­ga-stu­den­ten liepen het kraam­p­je achteloos voor­bij, de uitn­odi­gende geur negerend, net zoals ook ik de dag voor­di­en onzicht­baar voor hen had geleken op de Karaoké Night (VGK, 05/11). Ik leek wel de enige die niet aan de ver­lei­d­ing had kun­nen weer­staan. Ik voelde me zwak en schaamde me zelfs een beet­je, ter­wi­jl ik voorzichtig een hap uit het druipende brood­je nam. De saus glib­berde tussen m’n vingers ter­wi­jl de kruimels rijke­lijk neerd­war­relden. Ondanks mijn oplet­tend­heid bleef er toch wat bick­ysaus aan m’n mond­hoek hangen. Ik veegde het haastig weg met het besmeurde servet dat om het brood­je had gezeten. De priemende blikken van anon­ieme voor­bi­j­gangers belet­ten me om echt van het brood­je te geni­eten en ik propte het dan maar zo snel mogelijk naar bin­nen. Ach, ik wist ergens wel dat ik me dat slechts inbeeldde. Dat hun blikken niet echt ‘priemend’ waren, laat staan dat ze me zelfs maar een blik toewier­pen. Op dat moment besloot ik dat ik geen puf meer had in de les, waarop ik terug kot­waarts keerde om te huilen in mijn warme bed. Je bent wat je eet, en ik ben een ver­lept bick­y­brood­je. Ik zou wel weer com­penseren op het Gal­a­bal der Inge­nieurs (VTK, 09/11).