De draak steken met wetenschap


Niet elke wetenschapper houdt zich bezig met proefbuizen, deeltjesversnellers of lasers. Dr. Schamperstein kiest voor een theoretische aanpak en baant zich een weg door formules, berekeningen en kennis om zijn licht te laten schijnen over een prangende maar absurde vraag.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 21/10/2018 – 16:31 door Iris Pot­tie

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Menig stu­dent komt het wel eens tegen: de lucifers zijn op net wan­neer je een bun­sen­bran­der, gas­for­nuis of sigaret wou aansteken. Dat is verve­lend. Soms zelfs zo verve­lend dat je begint te koken van woede tot er stoom uit je oren komt. Toch zullen wij nooit het punt bereiken dat we effec­tief vuur­spuwen. De mens is daar sim­pel­weg niet toe in staat. Waar de mens niet in slaagt, is echter kinder­spel voor de draak. Maar hoe doet deze dat toch?

Voor vuur zijn er drie belan­grijke ben­odigdhe­den: brand­stof, zuurstof en een warmte­bron. Men kan ervan uit­gaan dat zuurstof aan­wezig is in de omgev­ing van de draak. Deze leeft immers op aarde, waar de atmos­feer twintig pro­cent zuurstof bevat. Er resten dus wel nog twee zak­en die de draak zelf moet voorzien.

Vlammenmachine

Een brand­stof voor vuur is hele­maal niet zo moeil­ijk te vin­den. Tij­dens de ver­t­er­ing van de draak, maar ook bij die van andere dieren, wor­den lange kool­stofketens afge­bro­ken tot kor­tere ketens. Hier­bij komt energie vrij, maar dat is niet zo inter­es­sant. Het inter­es­santste zijn de korte kool­stofketens, gezien daar het poten­tieel voor brand­stof in ligt. Indi­en uit deze kor­tere ketens methaan wordt gevor­md is de brand­stof een feit! De draak slaat al dit methaan op in een apart soort kamer, het brand­sto­for­gaan genoemd. Naast methaan zijn zwavel­houdende eiwit­ten in het bloed een brand­stof. Het bloed van een draak is alge­meen gek­end als extreem zwavel­houdend. Dit is geweten door de geur die drak­en­bloed heeft na een onthoofd­ing. Om deze reden dacht men vroeger dat drak­en recht­streeks uit de hel kwa­men. Nu weet men beter: de draak heeft zo veel zwav­el in zijn bloed om deze als brand­stof te lat­en fun­geren. Voor de rest heeft dit dier niets met de duiv­el gemeen.

Dit is geweten door de geur die drak­en­bloed heeft na een onthoofd­ing

De warmte­bron van de draak kan ver­schil­lende oor­spron­gen hebben. De meest voor de hand liggende is een een­voudi­ge, exotherme chemis­che reac­tie. Hier­bij voegt de draak water­stof­per­ox­ide toe aan hydrochi­non. Er wor­den hier­bij chi­non­verbindin­gen, gas en een grote hoeveel­heid warmte gevor­md. Deze warmte kan dan gebruikt wor­den om vuur te mak­en. Een andere mogelijkheid is wrijv­ing: de draak speelt met de wrijv­ing van de lucht en pro­duceert zo een aanzien­lijke hoeveel­heid warmte.

Hitteschild

Met deze the­o­rie zou het niet eens zo moeil­ijk zijn om vuur­spuwende mensen te creëren. Er is echter een prob­leem. De mens is niet bestand tegen extreem hoge tem­per­a­turen en zou gewoon­weg zijn mond ver­bran­den. Deze defi­ciën­tie van het menselijk lichaam is voor de draak geen enkel prob­leem. Hij beschermt zich door een dikke laag schubben, die niet alleen zijn volledi­ge huid maar ook de bin­nenkant van zijn bek bedekt. Daar­bovenop heeft de draak een ander soort cellen in zijn bek. Deze cellen ver­schillen in het celmem­braan: nor­male cellen hebben een beperk­te hoeveel­heid fos­folipi­den. Dit garan­deert een soe­pel­er celmem­braan, maar maakt de cel gevoeliger voor warmte. De draak aan de andere kant, heeft gewoon erg veel fos­folipi­den, wat de cellen beter beschermt tegen extreme omstandighe­den, zoals een vuurt­je in de bek.

Wegens het extreem onaantrekke­lijk zijn van een geschubde mens, zal deze zich nooit voort­planten. Deze mens zal meteen uit­ge­s­e­lecteerd wor­den, waar­door er geen mogelijkheid is de mens te lat­en vuur­spuwen. De enige mogelijkheid voor de mens om zelf vuur te mak­en is dus via lucifers of een aanstek­er. Wan­neer hij deze vergeet of wan­neer ze op zijn, stelt zich een prob­leem dat hij ver­standelijk zal moeten oplossen. Tot nog toe heeft dit voor geen verdere prob­le­men gezorgd.