“De studenten zijn we kwijt”


Waar ze ooit het liefst hun tijd en geld besteedden, zijn de Gentse studenten niet meer te bespeuren. Nochtans palmt de gebeurtenis jaarlijks het centrum van de studentenbuurt in. Wat is er gebeurd met de halfvastenfoor op het Sint-Pietersplein?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 12/03/2018 – 8:37 door Joline Ver­meu­len­Daan Van Cauwen­berge

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Als we Bart De Vriendt mogen geloven, gaat aan de huidi­ge sit­u­atie een lange geschiede­nis vooraf. De gids die al elf jaar foor­wan­delin­gen begelei­dt, zet met plezi­er de evo­lu­tie van de foor in Gent uiteen. Als con­nais­seur van het ker­miswezen stelt hij ons voor aan een aan­tal sym­pa­thieke foren­zen die ons hun ver­haal willen doen. 

Foor op wandeling

De half­vas­ten­foor stond niet alti­jd luid­keels te pronken op het Sint-Pieter­splein. Ontstaan in de mid­deleeuwen, vond ze ini­tieel plaats rond het Vleeshuis op de Groen­ten­markt. Tij­dens de vas­ten­pe­ri­ode mocht in geen geval vlees wor­den gegeten, waar­door de gebruike­lijke markt rond die tijd steeds plaats maak­te voor een overdek­te foor. Het woord ‘foor’ wortelt in het Lati­jnse ‘forum’, wat let­ter­lijk ver­taald ook niet meer dan ‘markt’ betekent. En toch was ze er niet zomaar één. Het volk kon er immers kopen wat men in het dagelijkse lev­en niet vond: juwe­len, specer­i­jen of spe­ciale dranken.

Om de meest uiteen­lopende rede­nen werd de foor – van markt tot attrac­tiepark – meer­maals afgeschaft. Zo kreeg onder andere Fil­ips de Schone, die haar beschouwde als een broei­haard van Vlaamse bras­par­ti­jen, het op zijn heupen. Pas in 1497 verkre­gen de foren­zen een octrooi om de foor opnieuw te mogen organ­is­eren. Na een reeks her­ri­jzenis­sen is de foor in 1851 neergedaald op de plek waar ze ook van­daag staat. De ver­huis ver­liep nochtans niet onged­won­gen; rat­ten, muizen en ander ongedierte dat zich in het Vleeshuis had gen­esteld, joe­gen de foorkramers richt­ing Sint-Pieter­splein.

“Het zit in de famille”

Meer dan 150 jaar lat­er vor­men de foren­zen nog steeds een ges­loten, maar zeer hechte gemeen­schap. Daar heeft ook Gent als stad een rol in gespeeld. Foorkramers zijn hier immers verzek­erd van een stand­plaats die over  gen­er­aties en eige­naars heen gaat. In andere ste­den moeten foren­zen vaak nog bieden op stand­plaat­sen, wat al eens jaloezie tot gevolg heeft. 

Dat het beroep in de genen zit, is natu­urlijk de voor­naam­ste reden waarom de foorkramers als groep zo ste­vig samen­hangen. Zo bat­en de fam­i­lies Busch en Delforge al meer dan 100 jaar gebakkra­men uit, en dat zullen ze bli­jven doen. 

Zoals elke gemeen­schap, hebben ook de foren­zen een eigen cul­tu­ur. Wat u wellicht nog niet wist over hen, is dat ze zeer katholiek zijn. Pater Chris­ti­aan, die de plechtige com­mu­nie van hun kinderen op zich neemt, is dan ook een zeer geliefd figu­ur. De jong­ste gen­er­atie kri­jgt overi­gens les aan de Water­sport­baan, waar hun rij­dende school momenteel gepar­keerd staat.

Paarden, freaks en rupsen

De fam­i­lies en hun cul­tu­ur mogen dan wel onveran­derd gebleven zijn, het aan­bod op de foor is dat aller­minst. Vroeger waren bok­srin­gen de norm, droeg een John Mas­sis-figu­ur boten op zijn rug en waren freak­shows ware trek­pleis­ters. In het muse­um van rariteit­en wer­den de toeschouw­ers foe­tussen op sterk water, vrouwen met baar­den of man­nen met drie benen en twee penis­sen voorgeschoteld. Een andere top­per was de ‘act’ van Prins­es Pauline, die 21 jaar oud, maar nooit meer dan 61 cm groot werd. Op de hand van haar impre­sario, tevens haar schoonbroer, reis­de ze de wereld rond en bracht zo een for­tu­in op voor haar fam­i­lie. “Ze hebben haar uit­ge­molken tot en met”, aldus onze gids.

Na die tijd van rariteit­en en uit­buit­ing groei­de de foor uit tot een plaats voor inno­vatie op vlak van amuse­ment. Het volk kon er portret­ten lat­en mak­en of naar de film gaan, en dat alles in art nou­veau-kra­men. Dat de foren­zen die bij­na alle­maal ver­brand hebben toen ze niet meer ‘in’ waren, benadrukt hun zin voor vernieuwing. Zelfs hun eigen Tin­der-ver­sie mocht niet ont­breken: de paar­den­molens van toen waren car­rousels met houten paar­den waarop meis­jes zat­en. Wou je als jon­gen een lief opdoen, dan gooide je haar een bloe­men­guir­lande toe in de hoop dat ze die zou van­gen. Deed ze dat bewust niet, dan wist je dat je geen kans maak­te.

“Ze had­den zelfs een eigen Tin­der-ver­sie”

Van­daag zit de vork natu­urlijk anders in de steel. Geen cinema’s, musea of fotografen meer, wel door inge­nieurs uitgedachte attrac­ties. Eens het ontwerp af is, mak­en de inge­nieurs een mod­el in play­mo­bil om de foorkramers een idee te geven van het ontwerp. Gaan zij daarmee akko­ord, dan wordt het mod­el uit­gew­erkt en ontspruit een nieuwe attrac­tie met een pri­jskaart­je dat snel oploopt tot 2 à 3 miljoen euro. Daar komen dan nog de opbouw- en inno­vatiekosten bij. Ook moeten de attrac­ties regel­matig ger­estyled wor­den om genoeg bezoek­ers te trekken: ze deinen mee op de gol­ven van de tech­nol­o­gis­che rev­o­lu­tie, wor­den geschilderd of kri­j­gen een nieuwe façade. Geen kleine invester­ing, dus.

De kermis van morgen

Er is echter meer veran­derd aan de ker­mis dan enkel wat mod­erniser­ing. Natasha Semay, uit­baat­ster van een van de luna­parken en laat­ste telg in een lange lijn van foren­zen, legt de nadruk op hoe snel alles van­daag veran­dert. “Op een ker­mis moet je alti­jd mee zijn met de laat­ste trends, zodat je iedereen mee hebt met je pri­jzen. Dat is alti­jd zo geweest, maar die trends vol­gen elka­ar steeds sneller op. Tij­dens het ker­mis­seizoen moet ik voort­durend op nieuwe hypes inpikken.” Ook Jean Busch, die net zoals zijn vooroud­ers goed­lachs een oliebol­lenkraam uit­baat, beaamt de nadruk op snel­heid. “Op een ker­mis moet je alti­jd à la minute kun­nen rea­geren. Je moet de mensen geven wat ze willen, maar ze willen voort­durend iets anders.”

“Je moet de mensen geven wat ze willen, maar ze willen voort­durend iets anders”

Dat de ker­mis steeds duur­der wordt, is ook geen toe­val. “De stand­plaat­sen bli­jven merk­baar duur­der wor­den,” vertelt Natasha ons, “en als die plaat­sen duur­der wor­den, kun­nen wij uit­er­aard niet anders dan onze pri­jzen ook hoger te leggen.” Andere foren­zen nemen dan weer een gematigde houd­ing in. “Miss­chien zijn de pri­jzen een beet­je hoger gewor­den, maar dat moet je alle­maal in zijn con­text bek­ijken. Alles is duur­der gewor­den, een brood is ook niet even goed­koop als het vroeger was. De ker­mis is niet anders.”

De groot­ste moeil­ijkhe­den zijn wellicht van poli­tieke aard. Van het cir­cu­latieplan tot de her­in­richt­ing van dorp­spleinen: op alle vlakken lijken politi­ci blind te zijn voor de ker­mis. Zo vroeg Stad Gent enkele jaren gele­den of de foren­zen geen biovoed­ing kon­den verkopen op de ker­mis. “Wie naar de foor komt, doet dat niet om een bioburg­er te eten, hè”, grapt onze gids. “Die doet dat om een vet­tige ham­burg­er, een pak fri­et of eens oliebollen te eten. Din­gen die je anders niet te eten kri­jgt. Zo wordt het deel van de tra­di­tie, een stuk erf­goed.” Wil dat dan zeggen dat de foren­zen tegen veran­der­ing zijn? “Tuurlijk niet!” legt Jean ons uit. “Foren­zen zijn alti­jd al pio­niers geweest op vlak van veran­der­ing, maar de veran­derin­gen mogen niet blind gebeuren. Als je als belei­d­mak­er geen reken­ing houdt met de ker­mis die al 200 jaar een stuk is van je cul­tu­ur, dan vind ik dat dwaas.”

“Naar de foor kom je niet voor een bioburg­er” 

Liever een bak bier

Hoe langer we op de ker­mis rond­lopen, hoe meer ver­schil­lende mensen we zien. Eén groep lijkt echter opval­lend afwezig. “De stu­den­ten, die zijn we kwi­jt”, stellen de zussen De Pelse­maeck­er, eige­naars van het luna­park op het Kramer­splein. “Vroeger kwa­men ze alti­jd naar de ker­mis, ze hield­en ons open tij­dens de week. Sinds we eens twee jaar naar de Water­sport­baan ver­huisd zijn, is dat niet meer het geval. De nieuwe stu­den­ten van toen zijn door de veran­der­ing van locatie nooit naar de foor gekomen, waar­door die gewoonte gewoon verd­we­nen is. Als ik nu stu­den­ten tegenkom, proberen die meestal sto­er te toen. Ze vertellen me dan dat ze te oud gewor­den zijn voor de ker­mis, maar afgelopen zomer zat­en ze in hun dorp nog in mijn kraam en bin­nen een paar jaar staan ze daar waarschi­jn­lijk weer met hun lief of kind.”

“Bin­nen een paar jaar staan ze hier met hun lief of kind”

Jean Busch denkt echter dat het ver­min­derde aan­tal stu­den­ten op de foor deel is van een grot­er prob­leem. “De stu­den­ten van van­daag hebben meer keuze dan de stu­den­ten van vroeger. Vroeger kwam de ker­mis twee keer per jaar, en dat was een hoogtepunt, maar nu is er zo veel keuze dat de ker­mis nauwelijks nog opvalt.” Miss­chien is de reden ook wel veel sim­pel­er. “Ik denk dat de stu­den­ten van van­daag ook gewoon min­der geld hebben. Ze verkiezen bijvoor­beeld een goed­kope bak bier boven een avond op café”, besluit hij.