“Hoe minder publicaties, hoe beter?”


Stijn Baert is als professor Arbeidseconomie verbonden aan de Vakgroep Sociale Economie van de UGent. Volgens hem moeten professoren net geprikkeld worden om veel artikels te publiceren, en vooral om hard en goed te werken: "Anders wordt men lui".

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 18/12/2017 – 8:27 door

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Sti­jn Baert

In Scham­per 586 werd per UGent-fac­ul­teit het aan­tal pro­fes­soren geturfd met 400 weten­schap­pelijke pub­li­caties of meer. Om deze pro­duc­tieve collega’s, die hun fac­ul­teit en onze uni­ver­siteit veel mid­de­len oplev­eren, nadi­en in de bloemet­jes te zetten, zou je denken. Maar dat gebeurde niet. Sterk­er nog: ze wer­den weggezet als een ema­natie van te veel stress en com­peti­tie onder de pro­fes­soren.

Ik zie dit anders. Collega’s die zich onder­schei­den mak­en mij fier. Ook – en zek­er – wan­neer dat onder­schei­den zich uit in (toon­aangevende) weten­schap­pelijke pub­li­caties. Ik geloof immers dat (veel) pub­liceren bove­nal te mak­en heeft met cre­ativiteit en hard werken, wat respect en geen afkeur­ing ver­di­ent.

“Tegen­over het zweet van de belast­ing­be­taler mag wel wat zweet van de prof staan”

Boven­di­en wordt weten­schap­pelijk onder­zoek gro­ten­deels gefi­nancierd met belast­inggeld. Dat belast­inggeld moet zo goed mogelijk besteed wor­den en dus zoveel mogelijk rel­e­vante ken­nis oplev­eren. Tegen­over het zweet van de belast­ing­be­taler mag wel wat zweet van de prof staan. En collega’s die zich daar­bij onder­schei­den, mogen wat mij betre­ft beloond wor­den met extra mid­de­len of snellere pro­moties.

Ik vind het ook absolu­ut geen goed idee om ons huidi­ge out­putge­dreven allo­catiemod­el in te ruilen tegen een vaste financier­ing voor vak- en/of onder­zoeks­groepen, waar som­mi­gen nu voor pleit­en. Mid­de­len moeten ingezet wor­den daar waar ze het pro­duc­tief­st – in brede zin – zijn.

Het principe is op het niveau van de indi­vidu­ele prof en het groep­sniveau het­zelfde: men moet geprikkeld wor­den om hard en goed te werken. Anders wordt men lui. Als econ­o­mis­ten spreken we van ‘incen­tives’. De huidi­ge func­tionele loop­baan van pro­fes­soren, met objec­tieve bevorder­ingscri­te­ria, kent zek­er gebreken, maar is eerlijk­er en stim­uleren­der dan de vroegere ‘gecon­tin­gen­teerde bevorderin­gen’ waar­bij collega’s moesten stri­j­den voor een eindig aan­tal bevorder­ingsplaat­sen, op basis van een oordeel van bevorder­ingscom­missies die, naar som­mi­gen zeggen, niet alti­jd dezelfde cri­te­ria vol­gden, en zichzelf als maat van excel­len­tie zagen. En wie de resul­tat­en van te weinig prikkels op groep­sniveau wil zien, moet de onder­zoeksper­for­mantie van onze UGent voor en na de door­tocht van prorec­tor Andreas De Leen­heer, die een serieus belonings­beleid voor onder­zoek invo­erde, maar eens vergelijken.

Dat betekent vanzelf­sprek­end niet dat de huidi­ge bevorder­ings- en allo­catiemod­ellen niet recht­vaardi­ger of effi­ciën­ter kun­nen. Ten eerste moeten we ervoor zor­gen dat pub­li­caties in domeinen waarin het moeil­ijk is om te pub­liceren, meer gewicht hebben. Explo­ratief onder­zoek onder lei­d­ing van col­le­ga Fred­dy Heylen sug­gereert dat de kans op aan­vaard­ing voor pub­li­catie in bepaalde exact-weten­schap­pelijke gebieden ongeveer vijf keer hoger is dan die in bepaalde mensweten­schap­pelijke gebieden, in vergelijk­bare tijd­schriften. Boven­di­en zijn de door­loop­snel­heid en het aan­tal auteurs per pub­li­catie in die eerste gebieden veel hoger. Ten tweede dienen pub­li­caties gewogen te wor­den naar weten­schap­pelijke impact: in de Fac­ul­teit Economie en Bedri­jf­skunde hanteren we nu al een weg­ings­fac­tor gaande van 1 tot 20 naarge­lang de Arti­cle Influ­ence Score van tijd­schriften. Ten slotte ben ik er voor­stander van om ook maatschap­pelijke impact, i.e. de mate waarin stud­ies doorstromen naar de indus­trie of het beleid en zodoende naar de belast­ing­be­taler, sterk­er mee in reken­ing te nemen. Opnieuw vanu­it het­zelfde principe: als we zeggen dat we iets belan­grijk vin­den, dan moeten we collega’s prikke­len om er ook echt voor te gaan.