Het licht aan het eind van de tunnel


De laatste decennia krijgen bijna-doodervaringen veel aandacht van de wetenschappelijke wereld. Gaat het om een puur neurologische stuiptrekking of is het een bewijs van het bestaan van de ziel? Prof. Dr. Paul Boon, neuroloog in het UZ Gent, kan ons alvast wat meer vertellen.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 6/11/2017 – 8:58 door Daan Van Cauwen­berge­Clau­dia Santed­duEm­i­lie Devreese

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Paul Boon

We hebben alle­maal weleens ver­halen geho­ord van mensen die na een hart­stil­stand bew­eren een soort spir­ituele ervar­ing meege­maakt te hebben waar­bij ze in aan­rak­ing zijn gekomen met een warm licht, inner­lijke vrede of zelfs een ‘hoger iets’. We spreken dan van een bij­na-doo­d­er­var­ing. Maar hoe zit dat juist in elka­ar? Waarom gener­eren de herse­nen zulke com­plexe ervarin­gen bij mensen die ‘dood’ zijn? Waarom zien zo veel mensen dezelfde din­gen? Zijn bij­na-doo­d­er­varin­gen een teken van lev­en na de dood of gaat het gewoon om hal­lu­ci­naties? Wij trokken met onze vra­gen naar UGent-pro­fes­sor neu­rolo­gie, Prof. Dr. Paul Boon.

“Een bij­na-doo­d­er­var­ing (BDE) is eigen­lijk een geheel van gewaar­wordin­gen: vooral zin­tu­iglijke, maar ook ‘ervarin­gen van’. Als ik zeg ‘zin­tu­iglijk’, dan denk je aan iets horen, zien, voe­len of smak­en, maar het is vaak com­plex­er dan dat. Het is een meer com­plexe gewaar­word­ing, waar ook een emo­tionele fac­tor bij kan komen kijken. Mensen beschri­jven het als een tijd lang buiten west­en te zijn en dan tegen de verwachtin­gen in toch terug te keren. Dit gebeurt door­gaans door een ern­stige aan­doen­ing of een trau­ma waar­bij iemand dreigt te ster­ven en er sprake is van een ver­min­derd of afwezig bewustz­i­jn.” Moeil­ijke kost dus, maar hopelijk kun­nen wij met wat meer uit­leg het licht over deze tun­nel van com­plex­iteit lat­en schi­j­nen.

Beelden van de dood

“Het beeld dat we van de dood hebben, is oud. Wat nieuw is, is de mod­erne geneeskunde.”

Hoewel de mens al eeuwen­lang in alle cul­turen bezig is met de dood en wat erna komt, blijkt het fenomeen van de bij­na-doo­d­er­var­ing vooral iets van de laat­ste decen­nia te zijn. Een verk­lar­ing hier­voor zijn de ver­be­ter­de rean­i­mati­etech­nieken waar­door meer patiën­ten hun ervarin­gen kun­nen navertellen: “In het West­en is er door de eeuwen heen veel nagedacht over ‘het lev­en na de dood’. We ken­nen het con­cept natu­urlijk alle­maal uit de chris­telijke, joodse of islami­tis­che tra­di­tie: wan­neer iemand over­li­jdt, gaat hij of zij naar de hemel of de hel, en is er een dis­so­ci­atie tussen het lichaam, dat dood achterbli­jft, en ‘iets anders’ of ‘de ziel’, die verder­leeft in een soort tran­scen­dente wereld. Dat is dus geen nieuw cul­tureel gegeven. Ook de oude Grieken en Romeinen had­den hun voorstellin­gen over lev­en na de dood.”

“Het beeld dat we van de dood hebben, is dus oud. Wat wel nieuw is, is de mod­erne geneeskunde. De rean­i­mati­etech­nieken zijn sterk ver­be­terd en mensen over­leven dan ook vak­er moeil­ijke en lev­ens­bedreigende sit­u­aties. Daaren­boven zijn er tegen­wo­ordig onder­zoek­stech­nieken waarmee je in feite in het brein kan kijken en de func­tie van het brein beter in het licht kan stellen dan voorheen. Dat is eigen­lijk de reden waarom bij­na-doo­d­er­varin­gen en out-of-body expe­ri­ences veel aan­dacht kri­j­gen: we hebben tegen­wo­ordig betere tech­nieken om die zak­en te bestud­eren. Behalve neu­rolo­gen, art­sen, neu­rochirur­gen, inten­sieve art­sen … zijn er natu­urlijk ook andere mensen die zich daarmee bezighouden, zoals bijvoor­beeld psy­cholo­gen en mensen die weten­schap­pelijk onder­zoek doen in de neu­ro­science.” 

Zit het in mijne kop?

Dat de weten­schap geïn­ter­esseerd is in dit fenomeen, is dus niet moeil­ijk te begri­jpen. Er zijn meer bepaald twee grote weten­schap­pelijke stro­min­gen die zich bezighouden met de BDE’s: de psy­chol­o­gis­che en de medis­che stro­ming. Het is inter­es­sant om stil te staan bij het ver­schil tussen hun inval­shoeken.

“In de medis­che wereld proberen we de werk­ing van een orgaan te onder­zoeken door het net te onder­zoeken als het niet func­tion­eert. Als we weten dat er bij een blind per­soon iets mis is met de ogen, kun­nen we bijvoor­beeld con­clud­eren dat we onze ogen nodig hebben om te kun­nen zien. Het­zelfde geldt voor de herse­nen: door te kijken wat er man­keert als er iets mis is met een deel van de herse­nen, kun­nen we achter­halen wat dat deel van de herse­nen nor­maal gezien moet doen. Deze manier van werken is uit­er­aard erg waarhei­ds­getrouw, maar het is moeil­ijk om met deze meth­ode ooit echte the­o­rieën naar voren te bren­gen.

In de psy­cholo­gie heeft men een vri­jwel omge­keerde insteek. Psy­cholo­gen proberen mod­ellen naar voren te schuiv­en nadat ze een gezond brein onder­zocht hebben. Die mod­ellen wor­den dan ontkracht of ver­be­terd door andere psy­cholo­gen en zo proberen ze een cor­recter mod­el uit te bouwen.

Om tot defin­i­tieve ken­nis te komen is het dus nodig om twee meth­od­es samen te voe­gen: feit­en vast­stellen aan de hand van een ‘ziek orgaan’, maar ook pogin­gen doen om die waarne­min­gen vast te leggen in een verenigd mod­el. Aan deze uni­ver­siteit hebben we een insti­tu­ut voor neu­roweten­schap­pen dat spec­i­fiek gerund wordt door psy­cholo­gen en art­sen. Zo bren­gen we de sterkere kan­ten van psy­chol­o­gis­che en medis­che onder­zoek­stech­nieken bij elka­ar en proberen we elka­ar te ver­sterken.”

Brein zoekt brein

Nu we het hebben gehad over de achter­grond, stel je jezelf waarschi­jn­lijk de vraag wat zo’n bij­na-doo­d­er­var­ing (BDE) nu eigen­lijk is. Ergens kun­nen we het fenomeen verk­laren vanu­it de patholo­gie. Een BDE lijkt uit­er­aard erg magisch, maar op zich is het een fenomeen dat per­fect mogelijk is in het menselijke brein. Een out-of-body expe­ri­ence (OOBE), die vaak geas­so­cieerd wordt met de BDE, kan bijvoor­beeld ook voorkomen bij mensen die niet bij­na dood zijn gegaan.

Maar hoe kan dat nu? “Door een gebrek aan onder­zoek, kon men hier lange tijd geen antwo­ord op geven, want het is moeil­ijk om een BDE te analy­seren. Wan­neer iemand tegen de verwachtin­gen in ont­waakt, zou je die hold­erde­bold­er naar de scan­ner moeten kun­nen bren­gen, en onder een PET-scan schuiv­en. Dit gaat natu­urlijk niet zomaar. Het is dus moeil­ijk om het ont­wak­en uit een coma op beeld vast te leggen. Maar voor out-of-body expe­ri­ences lukt dat wel. OOBE kan je uit­lokken door een externe stim­u­lus te geven of door patiën­ten in een trance te bren­gen. Dan kan je de patiënt naar de scan­ner bren­gen en zien wat er gebeurt. Zo heeft recent onder­zoek kun­nen uitwi­jzen dat sen­saties zoals een OOBE vooral een soort illusie zijn die gepaard gaan met veran­derin­gen in de infor­matieover­dracht tussen de tem­po­rale kwab en de par­ië­tale kwab.”

De tem­po­rale kwab is het deel van onze herse­nen dat ver­ant­wo­ordelijk is voor de analyse van waarne­min­gen, de par­ië­tale kwab is een soort van bib­lio­theek van onze herse­nen die ons kan vertellen wat onze waarne­min­gen pre­cies zijn. “Je moet het je voorstellen als een spel­let­je pic­tionary: de tem­po­rale kwab beeldt het woord uit dat de par­ië­tale kwab moet raden. Je kan je vast wel voorstellen dat een ver­stor­ing bij deze infor­matie grote gevol­gen kan hebben, wat vreemde waarne­min­gen als een OOBE verk­laart”, legt Prof. Boon uit. Een bij­na-doo­d­er­var­ing of out-of-body expe­ri­ence is dan ook enkel mogelijk wan­neer er nog herse­n­ac­tiviteit is.

“De rean­i­mati­etech­nieken zijn sterk ver­be­terd. Meer mensen kun­nen een bij­na-doo­d­er­var­ing navertellen.”

In de scanner

Tot zulke inzicht­en komen is natu­urlijk niet mogelijk zon­der een sterke vooruit­gang in de meth­o­d­en en appa­ratu­ur om in het brein te kijken.

“Eerst en vooral hebben we de PET-scan (Pos­i­tive Elec­tron emis­sion Tomog­ra­phy). Door het inbren­gen van radioac­tieve stof­fen zien we hoe die over de herse­nen wor­den gedis­tribueerd. Dit is een goede manier om de func­tion­aliteit van de herse­nen te meten.”

Een ander hand­ig instru­ment voor het scan­nen van weke lichaams­de­len zoals de herse­nen, is MRI (kern­spin­to­mo­grafie, Mag­net­ic Res­o­nance Imagery). “Deze meth­ode is miss­chien wat ele­gan­ter aangezien we hier geen gebruik mak­en van radi­ol­o­gis­che stralin­gen, maar van een sterk mag­netisch veld. Hier­bij kun­nen we door de patiënt onder de scan­ner te leggen – zon­der die aan te rak­en of iets in te spuiten – bijvoor­beeld de ver­schillen in zuurstof­con­cen­tratie of door­bloed­ing in bepaalde gebieden van de herse­nen zien. Op die manier kun­nen we zien in welke delen van de herse­nen er meer activiteit plaatsvin­dt dan in andere delen.”

Life Changing Events

Mensen die een bij­na-doo­d­er­var­ing hebben meege­maakt, geven vaak aan het gevoel te hebben gehad tot hun essen­tie gere­duceerd te zijn. Ze komen terug bij bewustz­i­jn en voe­len zich plots een ander per­soon. Logisch, verk­laart Prof. Boon: “Het zijn tenslotte life chang­ing events. Je maakt iets zeer drama­tisch mee en het loopt veel posi­tiev­er af dan jij of je omgev­ing had verwacht. Op zich is dat al vol­doende om je lev­en te veran­deren. Maar ik kan me ook wel voorstellen dat wan­neer mensen dood gewaand wer­den, er onderliggende neu­rol­o­gis­che oorza­k­en kun­nen zijn die de func­tie van de mensen veran­dert, bijvoor­beeld opgelopen hersen­schade. Dat zijn natu­urlijk twee din­gen die je uit elka­ar moet houden.”

Of de neu­rolo­gie vol­gens Prof. Boon ooit in staat zal zijn om het mys­terie van de bij­na-doo­d­er­varin­gen en de link naar het ‘lev­en’ of ‘bewustz­i­jn’ na de dood te ontrafe­len? Dat is een vraag naar beschei­den­heid, vin­dt hij. “Als we beter willen begri­jpen hoe het menselijk brein werkt, dan moeten we mul­ti­dis­ci­plinair samen­werken. Op die manier kun­nen we vooruit­gang boeken. Het is dan nog maar de vraag of de weten­schap ooit alles zal kun­nen verk­laren. Dit alles is immers para­dox­aal: hoe meer je weet, hoe meer je beseft dat je niet veel weet.”

“Als we meer willen begri­jpen hoe het menselijke brein werkt, dan moeten we mul­ti­dis­ci­plinair samen­werken”