Eindhalte: Rabot


Met ‘Rabot’ schetst Christina Vandekerckhove een rauw en tegelijkertijd aandoenlijk beeld van het leven in de beruchte woontorens in de Rabotwijk. Net op tijd, want binnenkort gaat ook de laatste blok tegen de vlakte.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/10/2017 – 9:03 door Joline Ver­meu­len­Tom Antonis­sen­Mon Dewulf

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Christi­na Van­dek­er­ck­hove

Enkele dagen voor de pre­mière van de docu op Film Fest Gent kun­nen we de bevlo­gen Gentse cineaste spreken. Dat ze het druk heeft, mogen we zelf ondervin­den: met pas­ge­boren Leon in de ene hand en haar vriend in de andere, komt ze iets lat­er dan gep­land toe in het Reylofho­tel. Ze ziet er voldaan uit. De doc­u­men­taire mag de nodi­ge tijd in beslag genomen hebben, maar haar tevre­den­heid blijkt uit alles wat ze doet en zegt. Nochtans is het con­trast tussen ‘Rabot’ en haar vorige project, dat ze voor Can­vas realiseerde, enorm.

Voor ‘De Nada’ trok u met zanger Daan Stuyven en fotograaf Peter De Bruyne door Spaanse land­schap­pen en ver­w­erk­te u de tocht tot een doc­u­men­taire. Met ‘Rabot’ bent u een com­pleet andere weg inges­la­gen.

“Dat klopt. ‘Rabot’ is echt mijn eigen project, ter­wi­jl het beginidee voor ‘De Nada’ van Peter de Bruyne en een goede vriend van hem kwam. Zij waren op zoek naar een regis­seur en kwa­men zo bij mij terecht. Ik heb er uitein­delijk iets van gemaakt dat van mij is, maar toch niet hele­maal. ‘Rabot’ is dat daar­ente­gen wel hon­derd pro­cent.”

Waarom wou u pre­cies het ver­haal van ‘Rabot’ vertellen?

“Naar aan­lei­d­ing van hun werk­ing daar vroeg Kop­ergi­etery (kind- en jeugdthe­ater in Gent, red.) me in 2013 om een film te mak­en over de Rabotwijk. Ik heb toen zelf een dossier opge­maakt en doorges­tu­urd naar het VAF (Vlaams Audio­vi­sueel Fonds, red.) om sce­nar­ios­te­un te kri­j­gen, en die heb ik ook gehad. Pas toen het project van start ging en ik rond­liep in de wijk, heb ik beslist om te focussen op de drie apparte­ments­blokken, waar­van ze al één aan het ver­huizen waren. Die dor­pen in de hoogte die alle­maal zouden verd­wi­j­nen, sprak­en mij enorm aan.”

Was het ook de bedoel­ing om het maatschap­pelijke bewustz­i­jn van de Gen­te­naars aan te wakkeren?

“Nee, nee. Ik denk nooit: nu ga ik eens dit aan­kla­gen of dat naar buiten bren­gen. Er zijn andere regis­seurs die meer jour­nal­istiek te werk gaan. Natu­urlijk film ik ook zak­en die een bood­schap bevat­ten, maar als mak­er wil ik steeds een portret schet­sen vanu­it een artistiek oog­punt. Aan­to­nen dat sociale wonin­gen niet langer geschikt zijn om in samen te lev­en, was niet mijn uit­gangspunt. Ik begin alti­jd zeer neu­traal aan mijn pro­jecten.”

“Ik denk nooit: nu ga ik dit aan­kla­gen of dat naar buiten bren­gen”

Toch is de onver­schil­ligheid van de bewon­ers ten opzichte van elka­ar een cen­traal gegeven in ‘Rabot’. Een gevolg van de onver­schillige houd­ing die de maatschap­pij tegen­over hen inneemt?

“Ik denk dat je onver­schillig wordt wan­neer je ergens woont waar je gedumpt bent, echt niet meer graag woont, en met aller­hande prob­le­men kampt. In de blokken hebben som­mi­gen een drugsprob­leem, anderen geen geld. Ze zijn zodanig hard bezig met het hoofd boven water te houden dat ze zich niet meer om een ander kun­nen bekom­meren. Dat heb ik tij­dens het fil­men gemerkt: er viel let­ter­lijk iemand naar bene­den, en een bewon­er die me net iets vertelde keek even op, en praat­te gewoon verder. Er is een soort vervlakking bij die mensen gekomen, omdat ze zoveel mis­erie meemak­en. Ze kijken er dan ook enorm naar uit om weg te gaan; van alle mensen die ik ont­moet heb, zijn er maar drie die er graag wonen. De blokken lopen echt op hun einde: ze vor­men een soort van ter­mi­nus, een eind­halte. Daarom is mijn film in bepaalde opzicht­en ook hard en zwaar.”

Waar kun­nen de bewon­ers terecht als de blokken tegen de grond zijn gegaan?

“De sociale huisvest­ings­maatschap­pij Wonin­Gent heeft ervoor gezorgd dat die mensen andere – en vaak ook betere – wonin­gen zullen kri­j­gen. Op dezelfde site aan het Rabot zijn ze nu nieuwe blokken aan het bouwen, maar die zijn veel lager dan de vorige. Som­mi­gen gaan er dus kun­nen bli­jven, anderen komen ergens anders terecht. Een vad­er en een dochtert­je die ik leerde ken­nen, wonen nu in een huis­je met een tuin­t­je. Ook een man die met zijn kinderen en hond op het zeven­tiende leefde, woont nu in Won­del­gem. Uitein­delijk zal iedereen het beter hebben dan in de torens.”

Was het moeil­ijk om de bewon­ers hun ver­haal te lat­en vertellen ter­wi­jl ze in zulke moeil­ijke sit­u­aties in de woon­blokken leef­den?

“Ja, natu­urlijk. Ik ga een kat een kat noe­men: de helft van die blok zag mij niet graag komen: “ik heb daar echt geen goest­ing in meiske, ’t is al moeil­ijk genoeg” of  “oei, oei, nog een cam­era bin­nen, vergeet het”. Maar bij de min­der­heid die wel gefilmd wou wor­den, greep ik mijn kans. Natu­urlijk waren zij ook wantrouwig: ze lieten me in het begin niet zomaar bin­nen,  maar toen ze zagen dat ik daar in een tijdspanne van drie jaar daar alti­jd rond­liep, wis­ten ze ook dat ik het meende, en begonnen ze ook meer met me te prat­en. Ik heb vooral heel veel werk in de research gesto­ken en veel alleen gedaan. Dan stak ik de draaidag in elka­ar en belde dan pas de film­ploeg: ‘De veer­tiende staan we daar, om acht uur ’s ocht­ends, en dit is wat we gaan draaien.’ Daar­na was ik weer alleen. Het was een harde film, ook voor mij.”

“De helft van die blok zag mij niet graag komen”

U bent er erg lang geweest; hebt u nog con­tact met de bewon­ers?

“Ja, ik ben onder­weg al vijf mensen tegengekomen die vroe­gen hoe het met me ging en ent­hou­si­ast reageer­den toen ze Leon zagen. (Van­dek­er­ck­hove beviel begin deze zomer van een zoon, red.). Ze hebben mij ook zwanger zien fil­men, natu­urlijk. Toch is bli­jvend con­tact houden alti­jd moeil­ijk: je gaat van het ene project naar het andere. Soms bel ik of spring ik eens bin­nen, maar nu mijn film gemon­teerd is, sta ik daar niet meer weke­lijks. Veel van hen hebben geen inter­net, en dus ben ik ze alle­maal per­soon­lijk gaan uitn­odi­gen voor de film: ‘Op dat uur, daar. Anders gaat ge het mis­sen.’ ”

De enige gemeen­schap­pelijke plaats in de blokken zou een mor­tu­ar­i­um zijn geweest: niet bepaald iets om vrolijk van te wor­den.  

“Zoals in elke apparte­ments­ge­bouw vroeger – de blok is gebouwd in ‘72 – is er een mor­tu­ar­i­um geweest, maar die ruimte wordt daar nu niet meer voor gebruikt. Toen ik in het begin research deed, dacht ik: aha, dat moet in mijn film. Maar het bleek niet zo filmisch als ik dacht. Het is wel nog steeds zo dat het een blok is waar mensen van komen sprin­gen, en dat is heel mor­bide. Bij mijn weten zijn er ook al twee per­so­n­en van het dak geduwd. (pauzeert) Je kunt gewoon, hups, het dak op, en dat is ook geweten. Dat zelf­mo­or­didee heb ik ook in mijn film ver­w­erkt. Hoe mor­bide het ook is, de bewon­ers sprak­en daar zo over: ‘Vorige week is er weer één gespron­gen. Tweeën­vi­jftig was ze, ze had nog een zak met geld op ’t dak staan’. Zo prat­en die dus (lacht). Op de duur moet dat ook, om er tegen te kun­nen. Als je zulke ver­halen hoort, besef je dat het heftig is wat er gebeurt.”

De archi­tect van de nieuwe gebouwen bestem­pelde de woon­blokken dan ook als een fout uit het verleden.

“Natu­urlijk is het een fout, absolu­ut. Ik denk dat je mensen op z’n minst een balkon moet geven. Alleen al de struc­tu­ur van die blok, en met zoveel bij elka­ar … Een quote uit de film beschri­jft het als vol­gt: ‘Als ge een volière hebt en er te veel vogels in steekt, dan pikken ze elka­ar dood.’ Dat is wel een beet­je zo. Ze hebben het lat­en ver­loed­eren en op zijn beloop gelat­en.”

Vroeger waren de blokken inder­daad voor de beter gestelden.

“Ze waren heel pres­tigieus, absolu­ut. Mensen die hun loop­baan achter de rug had­den, gin­gen daar hun pen­sioen tege­moet. Iets wat je ook terugzi­et in de film, is dat de apparte­men­t­jes kleine paleizen zijn, som­mige kamers zijn impec­ca­ble. Maar wan­neer je buiten die wonin­gen gaat, is het een vuile boel. Die mensen hebben dat zien veran­deren in de loop der jaren:  ze wonen er al veer­tig jaar en herken­nen hun apparte­ment niet meer. Het pres­tige van vroeger is er niet meer.”

Is uw kijk op de Rabotwijk veran­derd door het project?

“Het is zek­er en vast een ver­haal dat onlos­make­lijk met Gent ver­bon­den is, maar zulke torens vind je over­al ter wereld terug. Dat maakt het onder­w­erp zo uni­verseel: in alle groot­st­e­den, van Par­i­js tot Barcelona, staan er in de stad­srand wel torens waar de mensen een beet­je weggesto­ken zit­ten. Een stad heeft graag schone beelden: autovri­je delen, fiet­sers, bomen, groen, schone Scan­di­navis­che bars waar je koffie kunt drinken. Aan de rand zijn er dan plekken die niet zo veel op Insta­gram en Face­book komen. Mogelijk denk je op het einde van de film: amai, is dat in Gent? In 2017, kan dat nog? Je zou bij­na denken dat het in een Oost­blok­land is gefilmd.”

“Je zou bij­na denken dat het in een Oost­blok­land is gefilmd”

Luk­te het om voor zo’n doc­u­men­taire aan vol­doende sub­si­dies te ger­ak­en?

“Dat ging eigen­lijk heel vlot. Ik heb een heel goed dossier geschreven voor het VAF,  en heb hun ste­un gekre­gen. Dankz­ij hen, Tax Shel­ter, de provin­cie Oost-Vlaan­deren en Stad Gent hebben we het kun­nen realis­eren. Het is uit­er­aard ook geen big-bud­get­film. We mogen heel tevre­den zijn in Vlaan­deren met het VAF, en dat zeg ik niet om reclame te mak­en. Ital­ia­nen hebben die finan­ciële ste­un bijvoor­beeld niet. En ik heb natu­urlijk een pro­du­cent met een goede naam (Peter Krüger, red.), een belan­grijke ste­un.”

Wat het Film Fest Gent betre­ft: spe­len er nog Bel­gis­che films die u graag zou zien?

Nathalie Basteyns’ film zou ik graag zien (‘Façades’, red.). Ik kijk ook uit naar de film van Peter Krüger (Krüger kocht begin dit jaar de film­recht­en voor ‘The Age of Mag­ic’, de roman van Book­er Prize win­naar Ben Okri, red.).  Maar ik moet eerlijk zijn: ik heb Film Fest Gent niet hele­maal uit­ge­pluisd en heb het opzettelijk aan mij voor­bij lat­en gaan, omdat ik wist dat ik met een baby van een paar maan­den oud zou zit­ten. Zo heb ik nu min­der spi­jt dat ik din­gen moet mis­sen.”

Wat zijn con­creet uw toekom­st­plan­nen als regis­seur?

“Met ‘Rabot’ ben ik al zodanig lang bezig dat ik ernaar ver­lang om het af te sluiten; zo gaat dat dan. Ik zou graag een kort­film mak­en, iets met fic­tie en miss­chien ook een nieuw idee voor een doc­u­men­taire uitwerken.”

Uw favori­ete genre.

“Ja, maar net daarom kijk ik er miss­chien naar uit om eens aan fic­tie te begin­nen: het is een zeer gecon­troleerd genre, en je hebt alles zelf in han­den. Bij ‘Rabot’ gebeurde het op een draaidag wel eens dat de per­son­ages afzeg­den nadat ik ze zelf had moeten opbellen: ‘Ja meiske, ‘t gaat toch niet gaan, want ik heb nog vanalles te doen.’ Eens fic­tie zie ik dus wel zit­ten, ja.”