Kort


In mijn rafe­lende jean­sza­kken probeer ik de zachtheid van mijn lege han­den te bescher­men. Ik hoef geen moeite te doen om mijn gezicht in zijn natu­urlijke plooi te houden. Ik ben heer en meester over mijn lichaam. De ogen van een jonge vrouw onder­zoeken me vrien­delijk wan­neer haar weg naar ver­maak mijn gebruike­lijke pad kruist.…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/10/2017 – 9:03 door Joline Ver­meulen

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

In mijn rafe­lende jean­sza­kken probeer ik de zachtheid van mijn lege han­den te bescher­men. Ik hoef geen moeite te doen om mijn gezicht in zijn natu­urlijke plooi te houden. Ik ben heer en meester over mijn lichaam. De ogen van een jonge vrouw onder­zoeken me vrien­delijk wan­neer haar weg naar ver­maak mijn gebruike­lijke pad kruist. Ze glim­lacht alsof we iets met elka­ar gemeen hebben, alsof zij en ik een­zelfde pret­tige avond tege­moet gaan. Ik loop gehaast verder, ver­traag mijn pas zodra de vale gloed van de neon­ver­licht­ing over mijn gelaat schi­jnt. Elke stap brengt me iets dichter bij het nachtelijke gedaante waar­toe ik ben vero­ordeeld. Ik ben op zoek naar een uitweg die onvin­d­baar blijkt: twee tre­den naar omhoog vor­men de enige richt­ing. Ik duw de deur van de nachtwinkel open en haal mijn han­den uit mijn zakken. Ik tel mijn laat­ste munten, ter­wi­jl ik op mijn beurt wacht. Ik speel op veilig. Tien diep­blozende stuks, wikkel errond, vol­gende in de rij. Mijn gevulde han­den verkleu­men al ter­wi­jl ik me terug naar buiten begeef. Als een voor­bode doet de kille wind mijn lip­pen in een gri­mas vertrekken. Slaafs slen­ter ik naar Hal­loween (31/10, Den­talia), voor een man als ik geen andere markt dan het Okto­ber­fest (24/10, VTK), de Open­ings­fuif Geneeskunde (25/10, VGK) of Filologica’s Oudeza­kken­can­tus (27/10, Filo­log­i­ca) vorige week. In de valse hoop er warm ver­welkomd te wor­den, vervreemd ik noodged­won­gen van mezelf. Ik ver­sterk mijn grip en zet een afd­win­gend nar­ren­masker op, ik veins een onwe­tende non­cha­lance. Ik wil hen lat­en kijken, ruiken, kopen. Ik val op. In elke groep die ik benad­er, val ik op, maar mijn aan­wezigheid wordt ontk­end. Blikken staren door me heen, hoewel de schud­dende hoof­den ver­raden dat ze me kun­nen zien, en hun lev­endi­ge gek­lets opval­lend voor minach­t­end gemom­pel wijkt. Een ste­vige hand gri­jpt me bij de schoud­er. Ik moet mak­en dat ik hier weg kom, en snel. Ik ben al weg. Het nacht­donker ver­bergt mijn gezicht zon­der uitzicht. Ik moet moeite doen om het in zijn natu­urlijke plooi te houden. Ik wil mijn han­den in mijn jean­sza­kken ver­ber­gen, maar ze zijn vol en de rozen­doorns prikken zich vast in hun zachtheid. Ze zijn heer en meester over mijn lichaam.