Kort


We wacht­en. Mijn vad­er met zijn hoofd in zijn han­den, mijn moed­er aan de lege warme koelka­st, mijn broert­je en zus­je hangend op het hoop­je kof­fers met onze bezit­tin­gen in. Het is niet zo veel. Ik hoor de kraan in de bad­kamer boven licht­jes lekken. Heeft het alti­jd gedaan. Deed het ook vorige week, toen…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 2/10/2017 – 17:46 door Shau­ni De Gussem

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

We wacht­en. Mijn vad­er met zijn hoofd in zijn han­den, mijn moed­er aan de lege warme koelka­st, mijn broert­je en zus­je hangend op het hoop­je kof­fers met onze bezit­tin­gen in. Het is niet zo veel. Ik hoor de kraan in de bad­kamer boven licht­jes lekken. Heeft het alti­jd gedaan. Deed het ook vorige week, toen ik thuiskwam van de Bier­bowl­ing (10/10, Geer­aard). Mijn vad­er probeerde in zijn box­er­short, met de werk­doos aan zijn voeten, het lek te repar­eren. Zon­der me aan te kijken zei hij in het Rus­sisch dat er iets in dit huis stil zou getu­igen dat hij hier ooit geweest was, en het ver­schil zou mak­en. Dat waren meer woor­den dan ik hem in de afgelopen weken samen had horen zeggen. Al die beloftes en dromen die nooit realiteit gewor­den zijn. Ik viel in slaap bij het gelu­id van zijn zachte tikken. Mijn voorhoofd raakt het koude glas van de schuifdeur naar de tuin en ik kijk naar de onzicht­bare lucht­deelt­jes die ik niet kan aan­rak­en. Lucht die ik nog gretig inademde op de Lim­burgse Avond (12/10, Lim­bur­gia), ter­wi­jl ik elk moment obsessief bewust beleefde. Nog vijf dagen. Nog vijf dagen. Buiten is nu ver­bo­den ter­rein. Daar mogen wij niet meer komen. In de verte hoor ik gejoel. Ik herin­ner mij dat het vanavond Boot­camp (17/10, Vlaamse Dieren­ge­neeskundi­ge Kring) is, dat vrien­den op de Lez­ing van Jan Mertens (17/10 Jong Groen Stu­Gent) zullen zijn en anderen op de Open­ings­fuif (17/10, Vlaamse Tech­nis­che Kring). Ik zal net geland zijn. Afgezet. In een land waar­van ik de gebruiken niet ken, met ver­keers­bor­den in een taal die ik nooit geleerd heb. We wacht­en. Het huis voelt anders aan zon­der onze kleren in de kas­ten en zon­der onze bor­den op de tafels. Als een boom die zijn bladeren van zich heeft gewor­pen en nieuwe verwacht. Klaar voor een andere fam­i­lie. Ons al ver­geten. Voor het huis zit­ten we al in de auto op weg naar de luchthaven, zijn we al in ons nieuwe oude land, zijn we er nooit geweest. In de verte hoor ik gejoel en denk ik aan de mensen die ik niet ben en aan mijn broert­je en zus­je op de kof­fer, mijn moed­er aan de koelka­st, mijn roer­loze vad­er. We horen een auto de straat indraaien. Die rijdt gewoon voor­bij en iedereens gestok­te adem vin­dt opnieuw zuurstof. We wacht­en. We wacht­en.