‘Paul Formol’


Professor Paul Simoens van de faculteit Diergeneeskunde heeft zijn laatste lessen Anatomie gegeven. Na een carrière van meer dan veertig jaar gaat hij op pensioen. Zijn plan? "Een sabbatical nemen. Ik heb nooit rust gehad. En daarna mijn tuin onder handen nemen", lacht hij.  

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 13/05/2017 – 10:20 door Lau­ra Mas­sa

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Paul Simoens

Prof. Simoens komt uit een boeren­fam­i­lie. Het was van kinds af zijn droom om met dieren te werken. Zijn vakantie als assis­tent offerde hij op om aan andere stu­den­ten prac­ti­ca te geven. “Het is een roeping”, oreert hij zelf. “De materie is ein­de­loos fascinerend. Ik heb even goed leeuwen en walvis­sen, tot en met een nar­w­al kun­nen open sni­j­den.” Met haar eigen cam­pus in Merel­beke is de fac­ul­teit betrekke­lijk klein. Simoens had dan ook de rep­u­tatie om een heel aanspreek­bare pro­fes­sor te zijn. “Dat con­tact met de jonge mensen ga ik wel mis­sen”, geeft hij toe.  

“De vroegere gen­er­aties waren zek­er hand­i­ger”

Dierbare studententijd

Zelf heeft hij nooit prak­tijk gedaan. “Ik heb geen indi­vidu­ele dieren genezen – miss­chien drie – maar er zek­er hon­der­den dood gedaan. Dat klinkt miss­chien raar, maar daar­door heb ik duizen­den jonge dier­e­nart­sen kun­nen vor­men.” Simoens heeft het onder­wi­js steeds zien ver­beteren. “Toen wij stu­dent waren, had­den wij hoog­stens wat dia’s op het einde van de les. Nu heb je alles in kleur, en is de infra­struc­tu­ur over­al goed uit­ge­bouwd. Toch zijn niet alle vaardighe­den er door tech­nolo­gie beter op gewor­den. “De vroegere gen­er­aties waren zek­er hand­i­ger. Er was ook meer kans om in de microscoop te kijken, en meer ruimte om in de sni­jza­al te kun­nen vol­gen. Nu gebeurt dat alle­maal in grote groepen.”

“Ik heb dat echte stu­den­ten­leven nooit gek­end”

Veran­derin­gen zijn niet alti­jd posi­tief, vin­dt Simoens. “Als er iets het stu­den­ten­leven fnuikt, dan is dat het semes­ter­sys­teem. Er is gewoon min­der tijd voor even­e­menten, van­daar dat ik alti­jd ver­schi­et dat er in stu­den­tenkrin­gen nog zo veel leeft. Ik heb dat echte stu­den­ten­leven nooit gek­end. Ik vraag mij soms af hoe ze het doen. De leer­stof is gewoon geëx­plodeerd in de loop der jaren. Wij had­den een gans jaar. Een maand blok, en dan was het exa­m­en­week. Het semes­ter­sys­teem verdeelt alles in blok­jes.” Simoens vin­dt boven alles het overzicht belan­grijk: “Elke dier­e­narts moet een brede ken­nis hebben.” Toch beseft hij dat dat niet meer zoals in het verleden is. De oud­ere gen­er­aties waren all-rounder. “Wat wel is gebe­terd, is de vaardigheid om weten­schap­pelijke ken­nis op te zoeken. Vroeger was een the­sis vri­jbli­jvend. Sinds 1992 is dat ver­plicht gewor­den. We moeten de stu­den­ten wape­nen tegen de toekomst die ze nog niet ken­nen.” 

It’s a ladies’ world

Dat de toekomst gro­ten­deels vrouwelijk is gewor­den, valt aan de fac­ul­teit Dier­ge­neeskunde niet te ontken­nen. We zien tussen de hor­den meis­jes maar af en toe iemand van het man­nelijk ges­lacht. Simoens vin­dt die evo­lu­tie niet prob­lema­tisch. “Vrouwen hebben vaak een zor­gend karak­ter. Boven­di­en hebben man­nen nog vaak een kost­win­ner­sideaal.” De mythe van de goed betaalde dier­e­narts is vol­gens pro­fes­sor Simoens achter­haald. “Dier­e­narts wor­den is niet kiezen voor het grote geld”, geeft hij mee. Wel zijn de prak­tijken nu beter geor­gan­iseerd. Dat is vol­gens Simoens een derde reden waarom vrouwen de studie aantrekke­lijk vin­den. “Klin­ieken, met mogelijkheid van deelti­jdse arbeid, mak­en een gezinsleven mogelijk.” 

Toelatingsexamen? 

“De stud­ies zijn lood­zwaar, dat is een feit”, geeft pro­fes­sor Simoens toe. Of er dan niet beter gescreend moet wor­den in de vorm van een toe­lat­ing­sex­a­m­en? Dat vin­dt Simoens een vre­selijk idee. “Laat iedereen maar begin­nen, en selecteer in het eerste jaar. Wij zijn een fac­ul­teit met een van de laag­ste slaag­ci­jfers, maar ik heb het liev­er zo. Boven­di­en lokken we tot 20 % stu­den­ten uit Ned­er­land, die door de numerus clausus niet in eigen land kun­nen stud­eren wat ze willen wor­den.” Prof. Simoens wil hen graag de kans geven. “Ned­er­landse stu­den­ten zijn taal­vaardi­ger en mondi­ger. Zij beïn­vloe­den onze Gentse stu­den­ten op een goede manier. Ik kri­jg regel­matig com­men­taar van Ned­er­landse dier­e­nart­sen dat ze graag Bel­gis­che dier­e­nart­sen aan­nemen omdat die goed voor­bereid zijn.”

“Ned­er­landse stu­den­ten zijn taal­vaardi­ger en mondi­ger dan Vlaamse stu­den­ten”

Geen stadsrat

Over eigen bodem is Simoens niet zo posi­tief. Zo vin­dt hij Gent “een afschuwelijke stad.” Naar eigen zeggen gaat hij nooit naar de stad en koopt zijn vrouw zijn kleren. Wat Simoens dan juist storend vin­dt? “De ver­vallen huizen, put­ten in de straat, lekkende goten. De-pri-me-rend. De natu­ur is mijn lang lev­en.” Simoens – in een ander lev­en ook nog boswachter – over­weegt nog te ver­huizen naar groenere streken. “Miss­chien wel naar Lim­burg, of zelfs Frankrijk. Al willen mijn vrouw en ik er ook zijn voor de kleinkinderen.” 

“Ik wil nog wel ver­huizen naar Lim­burg, of zelfs Frankrijk”