Recensie: Mount Olympus


Toen er mij gevraagd werd om een recen­sie te schri­jven over Mount Olym­pus, vond ik dat een moeil­ijke opgave. Ik wou geen andere namen naast Fab­re zetten, hem vergelijken met anderen. Ik wou niet wikken en wegen. Want Fab­re is Fab­re. En Mount Olym­pus is als een cumu­latie van all things Fab­re. Alles wat je ooit…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 4/05/2017 – 17:33 door Marthe Thys

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Toen er mij gevraagd werd om een recen­sie te schri­jven over Mount Olym­pus, vond ik dat een moeil­ijke opgave. Ik wou geen andere namen naast Fab­re zetten, hem vergelijken met anderen. Ik wou niet wikken en wegen. Want Fab­re is Fab­re. En Mount Olym­pus is als een cumu­latie van all things Fab­re. Alles wat je ooit over hem geho­ord heb komt er in voor: veel naakt, pis­sen op podi­um, fist­fuck­ing, slachtafval… Wat je echter niet weet als je enkel flar­den van ver­halen hebt geho­ord, is dat het alle­maal niet zo provo­cerend is als het klinkt. Fab­re zegt daar zelf over: “In ons bloed, in onze huid, bot­ten, sper­ma en water ligt veel ken­nis besloten. Voor mij is dat alle­maal heel natu­urlijk. Maar als mensen er van buite­naf naar kijken, vin­den ze het vui­ligheid, provo­cerend, raar.” Het lijkt onwaarschi­jn­lijk, maar eens je daar, 24 uur lang, in die donkere the­aterza­al zit, waar de tijd lijkt stil te staan in vergelijk­ing met de buiten­wereld, volg je die redener­ing ook. Naakt is hele­maal niet zo naakt meer, en al wat nor­maal gezien als vui­ligheid of provo­cerend bestem­peld wordt, is een vanzelf­sprek­end deel van het geheel. Het stuk is goed gekaderd: je kri­jgt in het begin een han­dlei­d­ing mee over hoe je de 24 uur ‘over­leeft’. Je kan op elk moment de zaal ver­lat­en om in de foy­er of buiten even te bekomen van alles wat op je afkomt. In de foy­er kan je via een tv vol­gen wat op het podi­um gebeurt, en kan je iets eten of drinken. De ruimte is aange­vuld met een boekenkast vol werken die je iets meer vertellen over de tragedies die gespeeld wor­den. Het is een moeil­ijke afweg­ing: 24 uur bli­jven zit­ten kan niet, dus een aan­tal scènes kan je niet zien. Het maak­te me aan­vanke­lijk zenuwachtig om iets te moeten mis­sen, maar soms kan je gewoon­weg niet meer. In het stuk wordt tot het uiter­ste gegaan: zow­el fysiek als men­taal. Zo staan de acteurs 20 (twintig!) minuten lang touwt­je te sprin­gen. Je ziet hen zo hard afzien dat je samen met de hele zaal hoopt dat ze snel gaan stop­pen. Wat ze uitein­delijk ook doen, pas na twintig minuten dus. Om er dan na vijf minuten rust terug aan te begin­nen. Het stuk is een plei­dooi voor waanzin, de zin “Every man needs a lit­tle bit of mad­ness” zin­dert als een mantra ver­schil­lende keren door het stuk. Mad­ness, dat was het ook. 24 uur lang door­bren­gen in en rond een the­aterza­al, met drie slaap­pauzes (de acteurs slapen op het podi­um) van in totaal drie uur en twintig minuten, slapen op veldbed­jes in de mooiste zalen of in de the­aterza­al zelf onder de voeten van mensen, cashewnoten eten tegen de honger en ook wel de verveling, op je kousen rond­lopen op een plaats waar je nor­maal gezien opgek­leed heen­gaat … Je beleeft en ervaart, samen met de acteurs en de mensen in de zaal de uit­putting, de schoonheid en alles daar­tussen. Fab­re slaagt er opnieuw in om van the­ater een heel ander gegeven te mak­en. Ik wil zeggen dat het geweldig was, maar fokking geweldig vind ik passender. Ik weet zelf niet of ik dat in overtr­e­f­fende trap bedoel. Mad­ness. Ik wil er nog zo veel over kwi­jt, maar 24 uur is lang, en een pag­i­na kort.