Involueren


Iedereen herkent het stoffige beeld van de evolutie van aap tot mens - en in slechte cartoons tot mens achter computer. Maar hoe zit het daadwerkelijk met de toekomst van onze soort? Zijn we ons hoogtepunt voorbij, of kent onze intelligentie geen einde?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 20/04/2017 – 17:39 Eeuwige evo­lu­tie door Lieselot Le ComteNi­co­las Van Laere

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

De mens heeft zichzelf – nogal zelf­bevredi­gend – gedoopt tot een intel­li­gente lev­ensvorm. Nee hoor, we hebben geen last van een supe­ri­or­iteitscom­plex. Ook al kan mijn hond zeer goed rollen wan­neer ik een koek­je in mijn hand heb, een echt toekom­st­beeld kan hij niet vor­men, laat staan abstract denken. In onze evo­lu­tie hebben we er nood aan gehad om ons brein te ontwikke­len, maar hoe staat het nu? Wor­den we nog uitgedaagd om ons mensen­brein te ver­beteren of wor­den we er gewoon dom­mer op?

Neerwaarts

In de vorige eeuw kwam er in west­erse lan­den een enorme sti­jging in wel­vaart. Hier­door werd de gemid­delde schol­ings­graad hoger, wat op zijn beurt geleid heeft tot een sig­nif­i­cante vooruit­gang van weten­schap en tech­nolo­gie. Zo nam men in lan­den als de VS en Den­e­marken per decen­nia een sti­jging van drie pun­ten op de IQ-schaal waar, en in Japan zelfs tot zeven pun­ten. Dit wordt het Fly­n­ef­fect genoemd, naar pro­fes­sor James Flyn, die dit fenomeen voor het eerst opmerk­te. Recent onder­zoek aan de Uni­ver­steit van Hart­fort sug­gereert echter dat dit effect gekeerd is en dat het gemid­delde IQ wereld­wi­jd  met een punt gedaald is. Dit zou kun­nen beteke­nen dat tegen het jaar 2110 de gemid­delde IQ-score met acht pun­ten zal dalen. Ook in andere onder­zoeken wordt deze ten­dens vast­gesteld. Over de oorza­ak hier­van is de weten­schap het niet eens. Som­mi­gen spreken van een tijdelijk effect, maar psy­choloog Michael Wood­ley sug­gereert een andere oorza­ak. Hij spreekt over een genetisch stofzuiger­ef­fect. Dit houdt in dat mensen met een gemid­deld hoger IQ min­der voort­planten dan de min­der intel­li­gente mens, waar­door ons ‘IQ-kap­i­taal’ langzaa­maan daalt, wat gek­end staat onder de term ‘dys­gene voort­plant­i­ng’. Dit fenomeen wordt echter al waargenomen vanaf de 19e eeuw, dus het zou geen verk­lar­ing kun­nen bieden voor de recen­telijke dal­ing in intel­lect. De meeste onder­zoeken hieromtrent spreken elka­ar tegen, dus daar wor­den we ook niet wijz­er van – ‘ebt g’em?

Natuur en nourriture

Intel­li­gen­tie is natu­urlijk moeil­ijk te definiëren en IQ-testen hebben op hun beurt ook teko­rtkomin­gen. Wood­ley nuanceert zijn stelling: “Het gaat er min­der om of intel­li­gen­tie al dan niet sti­jgt of daalt. Ver­schil­lende delen van intel­li­gen­tie kun­nen gewoon op ver­schil­lende manieren veran­deren.” We kun­nen ook niet stellen dat IQ puur genetisch bepaald wordt. Wan­neer we prat­en over herse­nen, moeten we het steeds hebben over genetis­che fac­toren en omgev­ings­fac­toren. De wis­sel­w­erk­ing tussen deze twee is onver­mi­jdelijk om tot de uitein­delijke IQ-score op papi­er te komen. Er zijn mensen met aan­leg voor hogere intel­li­gen­tie, maar wan­neer het brein niet ges­tim­uleerd wordt van jongs af aan, kan het zijn dat het volledi­ge poten­tieel niet bereikt wordt. Andere essen­tiële omgev­ings­fac­toren kun­nen gezonde voed­ing en hogere schol­ings­graad zijn. Bij mensen met een hogere soci­aal-economis­che sta­tus is de schol­ings­graad hoger en is er meer toe­gang tot gezonde voed­ing, wat op zijn beurt dan weer lei­dt tot een gemid­deld hoger IQ. De genetis­che fac­tor hoeft daar­bij niet eens een rol te spe­len en dat is net het prob­leem bij het onder­zoek rond dit soort fenome­nen. Het is zeer moeil­ijk te bepalen in hoev­erre omgev­ings­fac­toren een rol gespeeld hebben. Het kan zijn dat de genetis­che aan­leg voor intel­li­gen­tie bin­nen alle bevolk­ings­groepen ongeveer gelijk verdeeld is, maar dat de kansen op ontwik­kel­ing van die intel­li­gen­tie gewoon beter zijn bin­nen bepaalde groepen. Dit kan beteke­nen dat er geen net­to ver­lies is aan ‘genetis­che intel­li­gen­tie’, maar wel ver­lies aan gun­stige omgev­ings­fac­toren, aangezien mensen van lagere soci­aal-economis­che sta­tus zich meer voort­planten.

“We kun­nen niet stellen dat IQ genetisch bepaald wordt”

In onzen tijd, he

We gaan ervan uit dat we nu op de piek van onze intel­li­gen­tie zit­ten – of dat we die piek net voor­bij zijn, aangezien de mens inher­ent toch een beet­je narcis­tisch is. Maar is dat wel zo? Een onder­zoek van Ger­ald Crab­tree, een onder­zoek­er aan Stan­ford Uni­ver­si­ty, dat in 2012 gepub­liceerd werd in Trends in Genet­ics trekt andere besluiten. Gebaseerd op genetis­che bevin­din­gen, besloot dit onder­zoek dat menselijke intel­li­gen­tie een piek bereikt heeft zo’n 2000 tot 6000 jaar gele­den. Bij de voort­plant­i­ng ontstaan er genetis­che mutaties, wat een noodza­ke­lijke voor­waarde is voor evo­lu­tie. Som­mige van deze mutaties zijn wenselijk, en zullen ervoor zor­gen dat een ras sterk­er wordt. Deze mutaties over­leven dan ook in het genetisch mate­ri­aal. Crab­tree stelt echter dat er in de loop van de laat­ste 3000 jaar min­stens twee mutaties in de menselijke genen­poel zijn ontstaan die de intel­lect-bevorderende genen schaden. Hij haalt ook aan dat intel­lect voor de heden­daagse mens min­der belan­grijk is. Vroeger kwam de mens veel meer in sit­u­aties die lev­en of dood kon­den beteke­nen, en dan is snelle prob­lem solv­ing onont­beer­lijk.

“Vroeger kwam de mens meer in sit­u­aties die lev­en of dood kon­den beteke­nen”

Part human, part machine

Er zijn andere externe fac­toren die de werk­ing van ons brein kun­nen beïn­vloe­den. Er is geen ontken­nen aan: de smart­phone dom­i­neert onze maatschap­pij. En dat zeggen we niet op de toon van een ver­bit­ter­de man die de woor­den ‘de jeugd van tegen­wo­ordig’ over­matig gebruikt. Toe­gang tot het inter­net is op ieder moment bin­nen hand­bereik, en dit kan ervoor zor­gen dat we onze herse­nen op een andere manier begin­nen gebruiken. Omdat dit een recen­telijk fenomeen is, is het nog moeil­ijk om te zeggen waar deze wijzigin­gen kun­nen liggen. Feit­elijke ken­nis wordt bijvoor­beeld min­der rel­e­vant, want met enkele vinger­be­weg­in­gen kan je meteen opzoeken wie het nu weer was die dat ene num­mer zong. Op een manier begint de smart­phone deel uit te mak­en van ons trans­ac­tief geheugen. Dit is een the­o­rie van psy­choloog Daniel Weg­n­er, die stelt dat we een soort groeps­ge­heugen opbouwen. Dit wordt bijvoor­beeld vaak geob­serveerd bij part­ners. Om het sim­pel uit te drukken: de ene part­ner onthoudt de ver­jaarda­gen van je vrien­den, de andere part­ner onthoudt dan weer wan­neer de kinderen naar de pianoles moeten. Dit wordt nooit expli­ci­et uit­ge­spro­ken, maar we ste­unen op de exper­tise van anderen voor ken­nis. En nu maakt de smart­phone deel uit van dit trans­ac­tief geheugen. We wor­den sym­bi­o­tisch met het inter­net. Het is geen kwest­ie van goed of slecht, maar we gaan gewoon op een andere manier op zoek naar antwo­or­den. En of we er daad­w­erke­lijk dom­mer van wor­den? Dat zal de toekomst moeten uitwi­jzen.

“Feit­elijke ken­nis wordt min­der rel­e­vant”

De pop­u­laire pale­on­toloog Stephen J. Gould claimde in 2000 dat de mens de laat­ste 40 à 50 000 jaar geen evo­lu­tie meer door­maak­te. Vol­gens hem hebben we alles wat we van­daag ‘cul­tu­ur’ en ‘beschav­ing’ noe­men met het­zelfde lichaam en brein gecreëerd. Enerz­i­jds omdat de gevaar­lijke omgev­ing die natu­urlijke selec­tie noodza­ke­lijk maakt volledig ingekapseld werd in beton, anderz­i­jds omdat mensen aller­hande mech­a­nisme bedacht­en om ook de zwak­sten in de samen­lev­ing aan boord te houden. Maar klopt dat wel? Om evo­lu­tie mogelijk te mak­en moeten een aan­tal voor­waar­den vervuld zijn. Ten eerste is er een gevarieerde genen­poel noodza­ke­lijk, waarmee nieuwe com­bi­naties gevor­md wor­den. Aangezien we onder­tussen met zeven mil­jard mens­bak­sels rond­hossen, is dat alvast geen prob­leem. Boven­di­en doen zich nog voort­durend nieuwe mutaties voor in de genen, soms aan een schrik­barend tem­po. De ver­schei­den­heid neemt dus nog steeds hand over hand toe. Uit die vari­atie gebeurt ver­vol­gens een selec­tie door druk uit de omgev­ing. Zo zorgt een bleke huid ervoor dat vit­a­mine D gemakke­lijk­er wordt opgenomen door het lichaam, wat geen over­bod­i­ge luxe is in de noordelijke kou. Maar die adap­taties hoeven niet per se par­al­lel te ver­lopen: een gelijkaardi­ge omgev­ing kan door geografis­che afs­tand toch nog een ver­schil­lende uitkomst oplev­eren. Zow­el Zwe­den als Japan­ners zijn blank, maar de samen­stelling van hun genetisch mate­ri­aal is toch anders. En wie ooit te horen kreeg “je lijkt als twee drup­pels water op je vad­er”, weet dat ook de derde voor­waarde – over­erv­ing – vervuld is. (Wie dit niet te horen kreeg, kan best zijn of haar moed­er aan een kruisver­hoor onder­w­er­pen.)

De ver­schei­den­heid neemt nog steeds hand over hand toe

Evo­lu­tie is een zeer traag pro­ces, maar af en toe kan er door grote veran­der­ing snel schot in de zaak komen. De impact van de agrarische rev­o­lu­tie op de menselijke genen is enorm. Mensen stier­ven bij bosjes omdat ze niet in staat waren om goed kool­hy­drat­en en zuiv­el te vert­eren. Alleen de sterk­sten over­leef­den de selec­tiepro­ce­dure, en in ijl­tem­po traden mutaties op die het mogelijk maak­ten om de vlotte door­loop van land­bouw­pro­ducten mogelijk te mak­en. De pop­u­latie schoot daar­na de hoogte in, de bevolk­ings­dichtheid nam toe en infec­tieziek­ten zagen hun kans schoon. Opnieuw over­leef­den alleen diege­nen met de beste weer­stand. Daar­naast heeft evo­lu­tie ook een invloed op cul­tu­ur: gedrag veran­dert, organ­isatievor­men wor­den ver­sterkt … De cul­tu­ur heeft op haar beurt weer invloed op het genoom. We kun­nen dus spreken van een co-evo­lu­tie tussen cul­tu­ur en genetisch mate­ri­aal. Alleen kan de fysieke evo­lu­tie geen gelijke tred houden met de snel wis­se­lende cul­turele omgev­ing, waar­door er sprake is van een ‘cul­tur­al lag’. Dat verk­laart waarom mensen wel een aange­boren angst hebben voor spin­nen en wilde dieren, maar niet voor aanstor­mende trams of stop­con­tacten, die min­stens even gevaar­lijk zijn. De menselijke evo­lu­tie is dus nog zek­er niet gestopt. Bli­jft de vraag over wat van­daag de voor­naam­ste sturende fac­tor is: cul­tu­ur of Dar­wini­aanse evo­lu­tie? Het weten­schap­pelijke debat daarover woedt hevig, laat ons hopen dat de heren pro­fes­soren nog vol­doende tijd vin­den om de over­erv­ing in stand te houden.

Er is een co-evo­lu­tie tussen cul­tu­ur en genetisch mate­ri­aal