Kort


Ik heb een foto vast in mijn hand. Er staan twee mensen op. Ze poseren bij de Sint-Pieterskerk, sep­tem­ber 2016. In twaalf sec­on­den laat ik de foto vallen op de ste­nen aan mijn voeten. Elf sec­on­den nu. Ik heb de foto vast in mijn hand. Ik heb de foto teruggevon­den in mijn kot tweeënzeventig uur…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 18/04/2017 – 15:30 door Shau­ni De Gussem

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Ik heb een foto vast in mijn hand. Er staan twee mensen op. Ze poseren bij de Sint-Pieterskerk, sep­tem­ber 2016. In twaalf sec­on­den laat ik de foto vallen op de ste­nen aan mijn voeten. Elf sec­on­den nu. Ik heb de foto vast in mijn hand. Ik heb de foto teruggevon­den in mijn kot tweeënzeventig uur gele­den. Het ligt daar half ver­sc­holen onder mijn cur­sussen in mijn donkere kamer. Ik ben daar nog steeds, aan het kijken naar de hoek­jes van de foto. Ik heb de foto vast. De ene steekt diens hand op naar de fotograaf, de klok van de kerk staat stil. Zes sec­on­den nu. Het is 4 mei, ik ben op de Zwa­nen­can­tus van VGK en wil niet naar mijn leeg kot. Het is 5 mei en ik sta op een donker Sint-Pieter­splein. Het is sep­tem­ber 2016, de zon schi­jnt fel in mijn ogen en ik hou mijn hand voor mijn ogen. Een foto­toes­tel klikt. Drie sec­on­den. Ik ben het beu om te staren naar de foto nu. Ik open mijn hand en het valt op de ste­nen aan mijn voeten. Ik kijk omhoog naar de ster­ren. Ze zijn zo ver weg en doen zo lang erover ons te bereiken. Alles wat we ooit zien van ster­ren zijn oude foto’s. Hun licht is oud. Het zal er nog twee uur over doen om Plu­to te bereiken. Twee uur in de toekomst observeer ik dronken vrien­den die naar huis stom­me­len van VTK’s Rib­bet­je­savond. Tien sec­on­den in mijn verleden open ik mijn vingers. De foto valt op de ste­nen aan mijn voeten. Ik kijk naar de ster­ren en probeer een naam te geven aan de kracht die het in werk­ing heeft gezet. Het is sep­tem­ber en ik voel jouw wim­pers tegen mijn wang flad­deren en jouw lome hart­slag tegen mijn sleutel­been. Het is 26 april en sportschoe­nen dav­eren over de ste­nen tij­dens de 12-uren­loop. Onze stiltes duren lang. We kopen nog een pin­t­je. Het is sep­tem­ber. Ik bied je voor het eerst een pin­t­je aan. Mijn vingers rak­en vlin­der­licht de jouwe aan. Lat­er neemt iemand een foto van ons. Het is 1 mei en jouw hie­len gaan voor het laatst mijn deur uit. Het is feb­ru­ari en je zegt dat je me alti­jd zal willen. Ik weet dat het niet zo is. Op 1 mei ga je naar de mod­el­stud­ies van Home Fabi­o­la, zon­der mij, en ben je met iemand anders. Het is 5 mei en ik laat de foto vallen. De wind neemt hem mee. Ik rijs op in de lucht. Ik ben klaar. Het is sep­tem­ber en daar begon en eindigde het.