“Alles van waarde is weerloos”


November, de tijd van het jaar voor contemplatie, introspectie en geneut over donkere dagen. De enige maand waarin Cash, Cohen en Dylan draagbaar zijn en poëzie net iets minder strontvervelend lijkt. Gelukkig hoef je in Gent nooit ver te lopen om op wat rijmelarij te stuiten.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 2/11/2016 – 10:00 door Lieselot Le Comte­Lau­ra Mas­sa

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

De woor­den ‘poëzie’ en ‘wan­de­len’ zijn niet bepaald tover­for­mules om het grote pub­liek te begeesteren. Wie wel fan is van het betere enjambe­ment, wordt in Gent ruim­schoots op z’n wenken bedi­end dankz­ij muurschilderin­gen, plakkat­en en een enkele neon­reclames. Voor de scep­ti­ci: die din­gen zijn toch betaald, dus kun je er net zo goed van prof­iteren. Of gewoon de fiets nemen.

Vrijzinnige vijftigers 

1. Rem­co Campert – ‘Verzet’ (Geuzen­huis, vlak naast de poort van de tuin van de St-Pietersab­dij)

Een gedicht met een hoge Insta­gramwaarde dankz­ij de ver­sregels die zo als inspi­ra­tional quote kun­nen dienen. Rem­co was in de jaren 50 zijn tijd ver vooruit. De inhoud past per­fect bij het Geuzen­huis dat sinds jaar en dag een broei­haard van vri­jzin­nig human­is­tisch gespuis is. Of zie het als een dikke mid­delvinger naar de katholieke buren, aan u de keuze. De stoet oud­ers met kleine kinderen die er voor­bij trekt op weg naar Kinepo­lis zal het alvast worst wezen, die ver­lan­gen hart­stochtelijk naar de 90 minuten relatieve rust die in het ver­schi­et liggen. We vergeven het hen.

2. Mar­cel Van Maele – ‘Nu er lanter­fan­terend twee ste­nen’ (St-Pieter­splein, links van de trap­pen)

Mar­cel geni­et buiten de muren van de Bland­i­jn weinig bek­end­heid. De volledig blinde dichter is nochtans zeer de moeite om te ont­dekken. Zijn gedicht­en zijn geen hap­klare brokken tekst zijn, maar voer voor fijn­proev­ers. Een lev­endi­ge dis­cussie over nation­al­isme en Bij­belse ref­er­en­ties ontspint zich tussen de redac­teurs. Poëzie met weer­haak­jes dus, dat op deze trap­pen gedrenkt in vogelpoep en schacht­enkots jam­mer genoeg par­els voor de zwi­j­nen is.

Archaïsche adel
3. Karel Van De Woestijne – ‘Wat is het goed aan ’t hart’ (Op de muur van de Blandijn, rechts van de trappen)

“Hoe kan je nu zacht­jes ver­liefd zijn?”, merkt een ervaren redac­teur op, “dat is echt bull­shit.” Tot zover de besprek­ing van dit nogal archaïsche gedicht. Inter­es­san­ter is dat de dichter zelf in een ver verleden les gaf aan de Uni­ver­siteit Gent. Van De Woesti­jne had nogal last van een ges­pleten per­soon­lijkheid en dat laat zich ook voe­len in zijn lat­ere werk. De geknipte per­soon dus om als boeg­beeld op de Bland­i­jn te hangen, als voor­beeld voor gen­er­aties geflipte en geniale docen­ten na hem.

4. Ste­fan Hert­mans -‘Geluk­straat, Gent’ (Muur van de Vooruit, aan de gel­dau­to­mat­en)

Goede lit­er­atu­ur roept vra­gen op, zo luidt het adag­ium. Ste­faan heeft dat goed begrepen. Maar waarom hangt het gedicht over de Geluk­straat in Gent niet in de Geluk­straat zelf? Wie kan de plat­te pathetiek ver­dra­gen? Wat heeft dit in god­snaam met de Vooruit te mak­en? De werkne­mers van de Vooruit moeten ons het antwo­ord schuldig bli­jven en sturen ons door naar Google voor meer info over ‘dienen poëet’. Tot zover de artistieke aspi­raties van het café.

Inter­mez­zo. Cru (Kouter)

We ruiken proev­ert­jes. Onze poëziewan­del­ing veran­dert in een sneukel­tocht. Eten is poëzie voor het lichaam.

5. Lut De Block – ‘Zoals een blad dat valt’ (Kouter, op de hoek met de Korte Meer)

Dit is kut­poëzie. De kitscherige woord­spel­ing met ‘gas’ en ‘as’ in een joodse con­text maakt ons een beet­je mis­selijk. Oh, en de per­son­ages het­en ook nog eens Judas en Judith. Lut is trouwens de enige vrouw die in het Gentse straat­beeld prijkt. Schaam u, Gent. Tijd voor een fem­i­nis­tisch man­i­fest. Inter­es­san­ter is de wenspaal waar grote en kleine wensen (‘Ik wens nen anderen lessen­roost­er’) op gek­leefd zijn en die een pak ontroeren­der zijn dan het zeem­zoete gezev­er over de dias­po­ra van bladeren.

“Dit is kut­poëzie.” 

6. Mau­rice Maeter­linck – ‘Serre d’en­nui’ (Ajuin­lei, vlak naast de muur van Dille en Kamille)

We ver­moe­den dat dit grootse poëzie is, maar omdat het gedicht enkel in het Frans op de muur prijkt zijn we daar niet zo zek­er van. Een ver­tal­ing zou hand­ig zijn. Iemand begint ‘Dit is Vlaamse grond’ te zin­gen. We kijken gege­neerd weg in de richt­ing van de ‘Blauwe Vogels’, een mooie lichtin­stal­latie die bij het gedicht hoort en ver­wi­jst naar het bek­ende toneel­stuk van Mau­rice – even verderop in deze Scham­per al omschreven als kapoen Mau.

Muzikale muren

7. Hugo Claus – ‘Achter deze gev­el hier’ (Oude Hout­lei, op de muur van de Hot­sy Tot­sy)

Hugo had een spe­ciale band met de Hot­sy Tot­sy. In 1983 werd zijn Het Ver­dri­et van Bel­gië in de fam­i­lieza­ak gep­re­sen­teerd. Het café doet hem alle eer aan met een mooie pre­sen­tatie van het gedicht. De SS-geschiede­nis en inter­naat­stra­nen van laat­stge­noemdes werk zijn zo ver­geten.

8. Paul van Ostai­jen - ‘Melopee’ (op de kade van de Koren­lei, vlak boven de water­spiegel)

Melopee is een prachtig gedicht dat leerkracht­en Ned­er­lands jam­mer genoeg kapot analy­seren met gewauwel over organ­isch expres­sion­isme. Stad Gent ver­pest het nog een beet­je meer door de let­ters niet te onder­houden. Tijd voor nog een man­i­fest. 

9. Luce­bert - ‘De zeer oude zingt’ (Vlas­markt, neon­let­ters op de muur van café Tre­f­punt)

“Alles van waarde is weer­loos” knet­teren de neon­let­ters. Geen enkele feestvierder op de Vlas­markt ontsnapt eraan. Poëzie kan ook een wake-up call zijn. Denk daar maar eens aan als u nog eens in de goot gaat liggen. Mooi gedaan.

“Poëzie kan ook een wake-up call zijn.” 

10. Paul Snoek  -  ‘Schilder­sver­dri­et’ (Vri­jdag­markt, op de muur van het Poëziecen­trum)

Niet bepaald het beste gedicht van Paul, maar het kan erg­er. Vooral de amper­sand in de eerste strofe strooit roet in het eten. En waarom hang je ‘Schilder­sver­dri­et’ op de muur van het Poëziecen­trum, alsof er geen arse­naal aan met­alyriek bestaat? Het gedicht beves­tigt wel op een grap­pige manier de mot­tigheid van het gebouw: wel willen, maar niet kun­nen.

We zijn lang genoeg op pad geweest en hebben weer nood aan vast voed­sel. En Irish cof­fee, hmm.