Consequenties van meningsuiting


Er zijn een hoop rede­nen om Twit­ter te hat­en. Het is dan ook een soci­aal medi­um waarop miljoe­nen mensen iedere dag door een genade­loos algo­ritme tot zin­loze dis­cussies wor­den ged­won­gen en con­cur­reren om ander­mans aan­dacht. Heel soms zijn die dis­cussies echter zo geni­aal dat we niet anders kun­nen dan toegeven dat we ergens wel houden van dat blauwe vogelt­je.…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 29/08/2019 – 18:03 door Daan Van Cauwen­berge

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Er zijn een hoop rede­nen om Twit­ter te hat­en. Het is dan ook een soci­aal medi­um waarop miljoe­nen mensen iedere dag door een genade­loos algo­ritme tot zin­loze dis­cussies wor­den ged­won­gen en con­cur­reren om ander­mans aan­dacht. Heel soms zijn die dis­cussies echter zo geni­aal dat we niet anders kun­nen dan toegeven dat we ergens wel houden van dat blauwe vogelt­je. Op geen enkel ander medi­um is de kans namelijk zo groot dat één van de belan­grijk­ste politi­ci van een land een dis­cussie zal begin­nen met een vrij onbek­ende per­soon. En die dis­cussie dan ook nog eens zal ver­liezen.

De Twit­ter fight tussen Tine Hens en Theo Franck­en

Net dat is wat er recent gebeurd is in een dis­cussie tussen Theo Franck­en, voor­ma­lige staatssec­re­taris voor Asiel en Migratie, en Tine Hens, jour­nal­ist voor MO* Mag­a­zine. Meneer Franck­en klaagt over de slechte kwaliteit van ons taalon­der­wi­js en zegt dat het beter moet. Mevrouw Hens reageert op deze tweet door een taal­fout te ver­beteren in de tweet van meneer Franck­en, waarop hij reageert dat ze ‘vri­jheid van mening­suit­ing en eco­fas­cisme’ eens moet opzoeken in haar woor­den­boek.

Er valt een hele hoop te zeggen over deze inter­ac­tie. Je zou kun­nen reflecteren op de vreemde sit­u­atie waarin een politi­cus pub­liek wordt afge­maakt voor een taal­fout­je. Of je zou je de terechte vraag kun­nen stellen wat ‘eco­fas­cisme’ te mak­en heeft met een dis­cussie over taalon­der­wi­js. Maar wat mijn aan­dacht trok in deze tweet is dat het op een vri­jwel per­fecte manier laat zien hoe ‘vri­jheid van mening­suit­ing’ geëvolueerd is van een rev­o­lu­tion­air, poli­tiek filosofisch principe tot een dro­gre­den in poli­tieke dis­cussies.

Vrijheid van meningsuiting

‘Vri­jheid van mening­suit­ing’ is een principe uit de poli­tieke filosofie en rechts­filosofie dat ver­ankerd is in de juridis­che tra­di­ties van de meeste lib­erale democ­ra­tieën. Kort samengevat betekent vri­jheid van mening­suit­ing dat iedere burg­er het recht heeft om vrij met anderen te com­mu­niceren zon­der dat de over­heid hen hierin zal belet­ten. Wan­neer jour­nal­is­ten of politi­ci zouden wor­den opgepakt door de poli­tie als ze kri­tiek geven op de regering, zou dit bijvoor­beeld een schend­ing zijn van hun recht op vri­je mening­suit­ing.

Vri­jheid van mening­suit­ing is echter zow­el juridisch als filosofisch gelim­i­teerd. Een bek­ende juridis­che lim­i­et uit de Verenigde Stat­en is het ‘vuur in een druk theater’-argument. Tij­dens een recht­sza­ak in 1919 maak­te de rechter Oliv­er Wen­dell Holmes, Jr. de opmerk­ing dat iemand niet in iedere con­text alles mag zeggen wat hij wil. Hij gebruik­te daar­bij het voor­beeld van een druk the­ater. Als iemand uit het pub­liek tij­dens een uitverkochte voorstelling “Vuur!” zou roepen, ter­wi­jl er hele­maal geen vuur is, zou het kun­nen dat mensen ster­ven of gewond rak­en in de chaos om naar buiten te ren­nen. Als één van de acteurs “Vuur!” zou roepen, zelfs als er geen vuur is, zou dat niet erg zijn, omdat wij er niet vanu­it gaan dat die acteur in dat toneel­stuk de waarheid vertelt. Negatieve con­se­quen­ties, die afhanke­lijk kun­nen zijn van de con­text, vor­men dus een lim­i­et voor het recht op vri­je mening­suit­ing.

Een ander voor­beeld hier­van zijn media met een spec­i­fiek doel, zoals het informeren van mensen. Zo is iedereen bijvoor­beeld in staat om op Wikipedia een nieuwe pag­i­na aan te mak­en of een oude pag­i­na aan te vullen met infor­matie. Maar als die infor­matie vals, beledi­gend of ide­ol­o­gisch geladen blijkt te zijn, wordt deze door Wikipedia ver­wi­jderd.

Het recht op vri­je mening­suit­ing is dus duidelijk een vrij ambigu gegeven, dat open­staat voor een hele hoop dis­cussie en nuance. Maar som­mi­gen prof­iteren bewust van die ambiguïteit om vri­jheid van mening­suit­ing als een holle dro­gre­den te gebruiken. Aan de hand van de Twit­ter­dis­cussie tussen meneer Franck­en en mevrouw Hens en enkele andere recente voor­beelden zal ik proberen drie van deze dro­gre­dener­in­gen te ontle­den.

Vrij van kritiek

Een eerste manier hoe het recht op vri­je mening­suit­ing vaak mis­bruikt wordt, is als een argu­ment tegen kri­tiek. In dit geval zegt één per­soon dat haar recht op vri­je mening­suit­ing geschaad wordt door een ander, omdat die kri­tiek geeft op haar uit­spraak. Dit is uit­er­aard een ver­keerd gebruik van het recht, aangezien het feit dat jij mag zeggen wat je wil niet betekent dat anderen geen kri­tiek op jou mogen geven. Sterk­er nog, dat laat­ste zou datzelfde recht van die ander afne­men.

Theo Franck­en

Een goed voor­beeld hier­van is de eerder aange­haalde dis­cussie tussen mevrouw Hens en meneer Franck­en. Wan­neer meneer Franck­en zegt dat zijn recht op vri­je mening­suit­ing geschaad wordt door mevrouw Hens, aangezien deze wijst op een taal­fout in zijn tweet, zegt hij in feite dat de kri­tiek die zij op hem geeft zijn vri­jheid schaadt. Het is duidelijk dat deze claim niet vol­gt uit het recht op vri­je mening­suit­ing. Meneer Franck­en is namelijk in staat om met zijn recht op vri­je mening­suit­ing mevrouw Hens weer­wo­ord te bieden. Hij zou bijvoor­beeld kun­nen zeggen dat een taal­fout de inhoud van zijn tweet niet teni­et doet, of dat hij als Vlaams-nation­al­ist enkel het Vlaamse gebruik van het woord ’terug’ respecteert, of dat hij door het sig­naal van de kiez­er ged­won­gen wordt het recht op spelfouten te verdedi­gen. Zijn vri­jheid is duidelijk intact.

In deze con­text wordt het recht op vri­je mening­suit­ing dus mis­bruikt als een excu­us om niet inhoudelijk te moeten rea­geren op kri­tiek.

Vrij van aandacht

Een tweede vaak gemaak­te fout is het recht op vri­je mening­suit­ing aan­halen wan­neer een per­soon niet wordt toege­lat­en tot een bepaald plat­form. In dit geval wordt er beweerd dat als een per­soon ergens zijn mening niet mag delen, dit een beperk­ing vormt van zijn vri­jheid. In dit geval rust de fout in een mis­con­cep­tie van de aard van het recht op vri­je mening­suit­ing.

Wan­ner wij zeggen dat iemand ‘vrij’ is om haar mening te uiten, dan wil dit zeggen dat deze per­soon niet beperkt zal wor­den in een han­del­ing die zij kan doen. Het gaat hier dus om een ver­bod op het belet­ten van een han­del­ing die iedereen kan uitvo­eren. Wan­neer iemand echter spreekt op een plat­form, dan moet zij eerst toe­lat­ing kri­j­gen van dat plat­form. Anders gezegd hebben we alle­maal het recht te zeggen wat we willen, maar hebben we niet alle­maal het recht om dat te doen op de radio of tele­visie.

Twee recente voor­beelden hier­van zijn Dries Van Lan­gen­hove, die niet mag komen spreken op de open­ing­sev­en­e­menten van twee poli­tieke verenigin­gen aan de UGent, en Marc Van Ranst, die tijdelijk geband werd van Face­book en Twit­ter. In bei­de gevallen zijn mensen geneigd te zeggen dat dit een schend­ing is van het recht op vri­je mening­suit­ing. Zow­el meneer Van Lan­gen­hove als meneer Van Ranst hebben echter geen enkel ‘recht’ om gebruik te mak­en van deze plat­for­men. Zij moeten hier toe­lat­ing toe kri­j­gen. Dit wil echter niet zeggen dat je geen dis­cussie kunt hebben of de rede­nen die door de plat­for­men gegeven wor­den om de fig­uren te mij­den miss­chien wel slecht of onge­fun­deerd zijn. Maar er wordt hier duidelijk geen enkel recht geschon­den. Wan­neer meneer Van Lan­gen­hove hoort dat hij niet mag komen spreken in de audi­to­ria van de UGent is hij nog alti­jd even capa­bel om hier zijn onge­noe­gen over te uiten.

In deze con­text wordt het recht op vri­je mening­suit­ing dus mis­bruikt als een excu­us om geen inhoudelijke dis­cussie te moeten hebben over de voor­waar­den op basis waar­van iemand een plat­form mag gebruiken.

Vrij van consequenties

Ten slotte wordt het recht op vri­je mening­suit­ing erg vaak aange­haald als een excu­us om zich van de con­se­quen­ties van bepaalde uit­sprak­en te dis­tan­tiëren. Het is moeil­ijk­er om uit te leggen wat er pre­cies fout­loopt in deze redener­ing, maar dit wordt hopelijk iets duidelijk­er in de vol­gende vergelijk­ing.

Mensen hebben over het alge­meen de vri­jheid hun lichaam naar hun wil te gebruiken. Toch besef­fen we alle­maal dat bepaalde lichamelijke han­delin­gen con­se­quen­ties zullen hebben. Wan­neer wij bijvoor­beeld iedereen die we op straat zien een klap in het gezicht zouden geven, zouden we waarschi­jn­lijk terugges­la­gen of gear­resteerd wor­den. Wan­neer we een huis betre­den dat niet van ons is zal ongeveer het­zelfde gebeuren. Wan­neer wij de Hit­ler­groet zouden bren­gen op een pub­lieke plaats, zouden som­mi­gen waarschi­jn­lijk denken dat we een nazi-sym­pa­thisant zijn.

Maar wat vrij duidelijk is als het gaat om fysieke han­delin­gen wordt vaak ver­geten als het om ver­bale daden gaat. Het is niet omdat we mogen zeggen wat we willen, dat die woor­den geen enkel effect zullen hebben. Als wij bijvoor­beeld racis­tis­che din­gen zeggen, zullen anderen vast denken dat wij racis­ten zijn. Of als we iemand beledi­gen, zal die andere per­soon ons waarschi­jn­lijk geen aan­ge­name per­soon vin­den. Toch zullen veel mensen die ervan beschuldigd wor­den een sek­sist te zijn, omdat ze bijvoor­beeld sek­sis­tis­che grap­pen mak­en, ver­wi­jzen naar hun recht op vri­je mening­suit­ing. Daar­bij lat­en ze echter zien dat ze de dis­cussie fun­da­menteel niet begri­jpen. Waar zij denken dat een kri­tiek op hun woor­den wil zeggen dat ze niet meer mogen spreken, wil deze kri­tiek eerder een dialoog aan­gaan met de inhoud van wat ze zeggen. Iedereen heeft de vri­jheid om een zwarte per­soon met het n‑woord te benoe­men, maar als hij dit doet hangen daar con­se­quen­ties aan vast. 

In deze con­text wordt het dan ook duidelijk dat ‘vri­jheid van mening­suit­ing’ gebruikt wordt als een excu­us om geen dis­cussie te hoeven hebben over de inhoud of de gevol­gen van wat iemand zegt, maar in een slachtof­fer­rol te kruipen, omdat je vri­jheid zou wor­den aange­tast. En daar­bij wordt het dan ook duidelijk dat het erg gen­u­anceerde en ambigue ‘recht op vri­je mening­suit­ing’ door som­mi­gen ver­vor­md is tot een hol excu­us om niet langer te hoeven dis­cus­siëren over de inhoud van hun mening.