Gent Jazz met Noah Vanden Abeele


Noah Vanden Abeele improviseert al sinds zijn kleutertijd, en brengt nu voor het eerst eigen muziek naar buiten.  In oktober vorig jaar kwam zijn eerste album uit en begin deze zomer speelde hij met Gent Jazz voor het eerst op een festival van formaat. Een diepgaand interview over de bron van en de liefde voor muziek…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 6/08/2019 – 19:33 door Maja Min­naert

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Hoe heb je dit con­cert ervaren?

Tof! Heel leuk. Ik was wel een beet­je nerveus: dit is tot nu toe het belan­grijk­ste even­e­ment waar ik al mogen spe­len heb. Ik was anderz­i­jds ook echt op mijn gemak en voelde een posi­tieve energie van het pub­liek. Ik dacht niet dat je dat zo kon voe­len, want ik heb intussen toch wel al een paar con­certen gespeeld. Dat heeft me hier wel aan­ge­naam ver­rast. Dat draagt je. En ik heb er echt van genoten. Er staan vol­gend seizoen ook een paar belan­grijke optre­dens gep­land zoals in het con­cert­ge­bouw van Ams­ter­dam, in de Aren­bergschouw­burg, in Flagey op de Piano Days, dat zijn echt mooie zalen.

Wat vind je van het idee dat je muziek een beet­je aan Yann Tiersen doet denken?

Da’s totaal onbe­wust. Ik impro­viseer van klein­saf aan en mijn muziek is het prod­uct, het resul­taat van al die jaren impro­visatie. Ik hoor dat nog wel van mensen die zeggen dat het doet denken aan Ein­au­di of Tiersen, het hoort waarschi­jn­lijk een beet­je bij die wereld. Ik ken Tiersens muziek eigen­lijk niet zo goed, behalve de score van Amelie Poulain, want ik geef ook pianoles ook en mijn leer­lin­gen leren dat spe­len. Dat is mooie, mooie muziek.

Komt je muziek enkel uit impro­visatie?

Ik heb mijn eerste album uit­ge­bracht vorig jaar in okto­ber. Het is effec­tief voor dit album dat ik voor het eerst iets geno­teerd heb. Daar­voor heb ik alleen maar geïm­pro­viseerd. Dat is plezan­ter. Ik heb het idee uit impro­visatie en dan werk ik dat verder uit al schri­jvend, maar dan wordt dat echt wel een heel ander stuk. Dan wordt het echt werken: de vorm en de struc­tu­ur zoeken tot alles klopt. Maar het oor­spronke­lijke idee komt alti­jd vanu­it impro­visatie, vanu­it een zek­er intuïtie. Ik denk niet dat ik muziek zou kun­nen mak­en door gewoon een stuk te mak­en die begint met spec­i­fieke noten. Het is vanu­it een zekere open­ing van mijn onder­be­wustz­i­jn. Ik zou dat anders nooit kun­nen mak­en, die muziek, als ik niet zou impro­vis­eren.

Op een bepaald moment moet je dur­ven zeggen: “Foert, ik maak de muziek die ik wil mak­en.”

Was tot voor dit album ook elke opname of elk optre­den, puur geïm­pro­viseerd?

Wat ik vaak doe is impro­vis­eren op oude stille films. Ik ben de vaste pianist bij CINEMATEK in Brus­sel. Dat doe ik al jaren en daarin impro­viseer ik heel veel. Maar voor mijn eerste album was de soort muziek daarop, eigen­lijk de muziek die ik speel in mijn kamer. Intiem: ik en mijn muziek. En dat heeft mij wel een moed gevraagd om daarmee naar buiten te komen. Ik kwam uit de klassieke wereld, heb klassiek con­ser­va­to­ri­um ges­tudeerd. In de klassieke wereld kan dat immers gemakke­lijk als melig beschouwd wor­den. Dus het vroeg een zek­er moed en een zekere sterk­te. Ik begon te denken aan bepaalde col­le­ga’s: “Wat gaat die ervan vin­den, en die?” Maar dan moet je die stap dur­ven zetten en zeggen: “Foert, ik maak de muziek die ik wil mak­en.” Als com­pon­ist moet je erover wak­en dat je trouw bli­jft aan jezelf, denk ik, en dat heeft ook een zekere moeil­ijkheid. Echt mak­en wat er uit je komt, dat is jouw weg, jouw taal. En eerlijk zijn, vooral. Eigen­lijk in eerste instantie moet uw muziek u plezieren. Je maakt muziek die je graag hoort. Niet anders.  Dat is echt mijn intieme wereld, een stuk van mijn ziel, die ik bloot geef. Ik ben er eigen­lijk wel al heel mijn lev­en mee bezig, zelf. Een soort noodza­ak, een soort ther­a­pie, een intieme band.

Hoe is die band met muziek voor jou tot stand gekomen? En met piano meer spec­i­fiek?

Wel, mijn grootoud­ers had­den een piano en iedere keer dat ik op bezoek ging vroeg ik dan: “Mag ik eens spe­len?” Mijn oud­ers zei­den toen nog “Nee, nee, laat haar gerust.” Ik was vier jaar toen. Maar dat was de piano verken­nen. Mijn grootoud­ers hebben mij die piano toen gegeven want nie­mand anders speelde daar nog op. Zo had ik al rond die leefti­jd een piano. Ik impro­viseerde en verk­ende. Rond mijn acht jaar heeft mijn moed­er mij ingeschreven aan de muzieka­cad­e­mie om klassieke piano te leren. Maar dat ging niet zo super, want ik wou gewoon impro­vis­eren. Ik ben echt begonnen met piano leren spe­len al impro­vis­erend. Eigen­lijk is dat heel lang twee werelden geweest, klassiek en de acad­e­mie tegen­over mijn impro­visatie. Daar was ik volledig vrij, ook tech­nisch en fysiek. Het heeft echt heel lang gedu­urd voor­dat ik diezelfde vri­jheid ervaarde in de klassieke muziek. Ik hield dat lang geschei­den in mijn visie. Maar nu, na vele jaren con­ser­va­to­ri­um en klassieke muziek, keer ik echt hele­maal terug naar mijn impro­visatie. En dan besef je: dat is het, dat ben ik.

Was het een worstel­ing om als geboren impro­visator klassieke muziek te stud­eren?

Het was vooral een worstel­ing toen ik naar het con­ser­va­to­ri­um ging. Want daar kom je in de klas met vooral stu­den­ten die van thuis uit ges­tim­uleerd of zelfs gepusht wor­den. De oud­ers zijn bijvoor­beeld zelf muzikan­ten, ze stim­uleren hun kinderen en zeggen dat ze moeten oefe­nen. Mijn oud­ers hebben mij dat nooit gezegd. Ik heb alti­jd een heel grote vri­jheid gehad. Als ik soms hoorde van medestu­den­ten over thuis, som­mige speelden daar al regel­matig con­cert­jes en dat moest ik nog gaan leren. Ik studeerde daar­door uren en uren klassieke piano, en ’s avonds nadat ik uren en uren klassiek had geoe­fend, kon ik gelei­delijk aan begin­nen impro­vis­eren en kroop ik terug voor een uur in mijn eigen wereld. Ja, dat is echt een andere wereld, das heel raar. ’t is alsof je een open­ing creeërt en … en ik ben op reis (lacht ). Alhoewel dat miss­chien een beet­je zwev­erig klinkt.

Het is alsof je een open­ing creeërt en op reis bent.


Wat wil je uit­drukken of wat leg je aan de basis van je muziek of je impro­visatie? Of ga je aan je piano zit­ten en jezelf afvra­gen: “Wat komt er nu? Ik ga op reis en zie wel wat er komt.”?

Ja, dat laat­ste. Het zijn mijn vingers die de weg bepalen. Ik kan met één noot begin­nen. Dat is wat ik het lief­st doe. Zoals ik zei, voor ik begon, het­geen dat ik probeer te doen is aan de piano gaan zit­ten en ik probeer iedere keer daar te gaan zit­ten alsof ik niks weet. Alsof ik geen muziek kan spe­len. Zie je? Dat ik de muziek verken vanu­it het niets. Vanu­it een totale leegte, alsof het de eerste keer is dat ik enige klank hoor. En van daar uit komen nieuwe ideeën. Niet vanu­it een voorken­nis. Anders ga je louter daar op verder. Om frisse din­gen te hebben. Soms gaat het beter dan andere keren natu­urlijk. De beste momenten om te impro­vis­eren zijn meestal wel ’s avonds. Dan kan ik vlot voor een uur vertrokken zijn. Als ik daar­na uit mijn stu­dio kom, dan voel ik mij nog ver­bon­den met die impro­visatie. Dan ga ik eerst naar mijn vriendin toe en vraag: “Ssst, niks zeggen!” (lacht). Mijn werk is dan nog bezig, ik ben dan nog in trance.

Je hebt ook nog begeleid bij PARTS, wat is het voor­naam­ste dat je haalt uit je ervar­ing bij stille films of met heden­daagse dansers?

Voor mij is die impro­visatie op stille film echt een hob­by. Dat is zo’n beet­je mijn lab­o­ra­to­ri­um waar ik vanalles kan uit­proberen maar het sum­mum voor mij is mijn eigen muziek. Want als je op films of dergelijke impro­viseert dat is in func­tie van, maar mijn eigen muziek… Hier ver­tel ik echt mijn eigen ver­haal. Er is vast wel een wis­sel­w­erk­ing tussen die twee, maar ik kan moeil­ijk con­creet zeggen wat of hoe. 

Wat zijn je dromen voor de toekomst als muzikant en als com­pon­ist?

Mijn droom is nog veel muziek mak­en en tot muziek komen die mij veel vol­doen­ing geeft. Daar­bij maakt het mij ook heel gelukkig dat die muziek ook andere mensen vol­doen­ing geeft. Dan denk ik: “Ah, kijk, ze vin­den dat ook mooi, hoe tof!” Dan hebt je het gevoel met iets essen­tieels bezig te zijn.