Over populisten en pseudo-intellectuelen


De cam­pagne komt maar langza­am op gang. Dat is althans wat Ivan De Vad­der weke­lijks her­haalt in De Afspraak en wie zijn wij om dat in vraag te stellen? Zow­el de burg­ers als de politi­ci zijn de cam­pagne beu en of het nu het kli­maat is of de pen­sioe­nen, geen enkel onder­w­erp bli­jft plakken. Deze vast­stelling voedt de…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/05/2019 – 12:49 door Daan Van Cauwen­berge

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

De cam­pagne komt maar langza­am op gang. Dat is althans wat Ivan De Vad­der weke­lijks her­haalt in De Afspraak en wie zijn wij om dat in vraag te stellen? Zow­el de burg­ers als de politi­ci zijn de cam­pagne beu en of het nu het kli­maat is of de pen­sioe­nen, geen enkel onder­w­erp bli­jft plakken. Deze vast­stelling voedt de pop­u­laire opvat­ting dat er een kloof is ontstaan tussen burg­er en politi­cus, een the­o­rie die ook weer weke­lijks de revue passeert op De Afspraak. Deze kloof wordt geken­merkt door beroep­spoliti­ci die enkel in slo­gans spreken, en pop­ulis­ten die menen in de naam van het volk te kri­jsen.

Ivan en zijn vrien­den zien echter één helder licht in deze duis­ter­n­is. Eén politi­cus wordt con­se­quent gekarak­teriseerd als het antwo­ord op ons gemis. Eerlijk, daar waar anderen slo­gans afrate­len, en intel­li­gent, daar waar anderen sim­pele antwo­or­den geven. Ik heb het uit­er­aard over meester­stra­teeg Bart De Wev­er, voorzit­ter-voor-het lev­en en kan­di­daat-min­is­ter-pres­i­dent voor de N‑VA. Per­soon­lijk stel ik me echter vra­gen bij deze ‘frisse’ wind.

Senatus Populusque Romanus

Vooraleer ik de claims over meneer De Wev­er ga bespreken, is het miss­chien belan­grijk even stil te staan bij de eerste the­o­rie, namelijk dat de kloof tussen politi­ci en burg­ers steeds grot­er wordt. 

Deze kloof hangt samen met de, onder­tussen bij­na klassieke, opsplits­ing in beroep­spoliti­ci en pop­ulis­ten. Van hand­boeken politi­colo­gie tot vreemde nieuw­jaarsre­cep­ties van de CD&V, over­al waant men zich rev­o­lu­tion­air denker door deze dichotomie te hanteren. Een beroep­spoli­tiek­er wordt gezien als de laat­ste uitkomst van onze gevrees­de par­t­i­cratie. Dit zijn politi­ci zon­der visie, die de poli­tiek slechts zien als een job en hun salaris als enige moti­vatie hebben. Zij luis­teren niet naar de burg­ers en spreken over het alge­meen in de vorm van slo­gans en leu­gens. Dit is een ver­wi­jt dat vooral naar het hoofd van de klassieke par­ti­jen ges­lingerd wordt, met als hoofd­fig­uren Wouter Beke en Gwen­dolyn Rut­ten.

Meester­stra­teeg Bart De Wev­er, voorzit­ter-voor-het lev­en en kan­di­daat-min­is­ter-pres­i­dent voor de N‑VA

Pop­ulis­ten zijn politi­ci die bew­eren in te gaan tegen deze ten­dens van beroep­spoli­tiek. Zij zien zichzelf als het anti-estab­lish­ment en als de echte stem van het volk. In de prak­tijk betekent dit vooral veel roepen, veel kri­tiek en weinig oplossin­gen. Dit ver­wi­jt is vooral gead­resseerd aan nieuwe par­ti­jen of par­ti­jen met een extremere mening, denk aan fig­uren als Tom Van Grieken en Peter Mertens.

Het is in de con­text van deze twee groepen dat Bart De Wev­er vaak naar voren wordt geschoven als een goed alter­natief. Hij zou de moti­vatie hebben en de good­will van de pop­ulis­ten, gecom­bi­neerd met het strate­gisch inzicht en de intel­li­gen­tie van de klassieke par­ti­jen. Zow­el deze eerste analyse, als de beo­ordel­ing van meneer De Wev­er staan echter duidelijk open voor debat.

Een les van Thucydides

Men hoort wel vak­er dat De Wev­er een ‘meester­stra­teeg’ is. Iedere zet, hoe willekeurig die dan ook mag lijken, wordt gezien als een nieuwe draad in zijn poli­tieke web. Samen opkomen met de CD&V, het split­sen van Brus­sel-Halle-Vil­vo­orde, de bikkel­harde regering­son­der­han­delin­gen en het recente vallen van de regering. Al deze even­e­menten wor­den als teken gezien van zijn geniale strate­gis­che brein.

Door een hele hoop van deze daden als ‘strate­gisch’ te fra­men, vergeet men echter dat deze poli­tieke zetten heel vaak negatieve con­se­quen­ties hebben. De Wev­ers ‘strate­gie’ is vaak te her­lei­den tot een com­plete onver­schil­ligheid ten opzichte van de wel­vaart van ons poli­tieke sys­teem, en bij uit­brei­d­ing van ons land. Waar som­mi­gen de twee jaar lange regerings­for­matie toe­juichen als een meesterzet, kun­nen we dit ook zien als een kop­pige politi­cus, die zijn ideeën belan­grijk­er vin­dt dan de bestu­ur­baarheid van het land. Het­zelfde geldt voor het vallen van de regering, waar de N‑VA een sym­bol­isch gevecht over een niet-bindend ver­drag belan­grijk­er vond dan de fed­erale regering.

Behalve het gevaar­lijke karak­ter van deze zetten, wil ik ook benadrukken dat deze ‘strate­gis­che keuzes’ een vrij onvolledig beeld vor­men van Bart De Wev­er. Zijn naam als ‘strate­gisch meester­brein’ is vaak een self-ful­fill­ing prophe­cy. Anal­is­ten pro­jecteren dit beeld vaak op iedere han­del­ing van de par­ti­jvoorzit­ter, ter­wi­jl deze tac­tis­che inten­tie vaak hele­maal niet zo duidelijk blijkt uit zijn han­de­len. Andere zetten die dan weer duidelijk wel strate­gisch bedoeld waren, zoals bijvoor­beeld het lat­en vallen van de regering of het ver­sprei­den van adver­ten­ties tegen het Mar­rakesh­pact, hebben dan weer vaak een uit­ge­spro­ken negatief effect op de par­tij. Zo moest De Wev­er recent tij­dens een VRT-inter­view toegeven dat zijn par­tij mogelijk de pen­sioensleefti­jd nog zou willen opschuiv­en, onder druk van John Crombez, een politi­cus die nu niet bepaald bek­end staat als een strate­gisch meester­brein.

Doctorandus

Meneer De Wev­ers tweede lauw­erkrans is zijn ver­meende grote intel­lect, dat hem onder­schei­dt van zijn concullega’s uit andere par­ti­jen. De ver­meende opval­lende intel­li­gen­tie van meneer De Wev­er wordt in de eerste plaats gebaseerd op zijn gedrag in inter­views en debat­ten. Het is hier echter niet volledig duidelijk waar deze analyse op gebaseerd wordt. De Wev­ers argu­men­tatie is niet opval­lend beter dan die van zijn tegen­standers, noch is hij inhoudelijk beter op de hoogte. Ook blinkt hij uit in een eerder bit­sige en asser­tieve wijze van vra­gen beant­wo­or­den, maar ook dit is niet direct een teken van grote intel­li­gen­tie. Al kan deze eerder agressieve vorm van debat­teren bij som­mi­gen miss­chien de illusie opwekken dat De Wev­er vaak debat­ten wint.

Opval­lend is wel dat hij, veel meer dan andere par­ti­jvoorzit­ters, Lati­jnse gezegdes of quotes van bek­ende intel­lectue­len aan­haalt. Of dit een teken van intel­li­gen­tie is valt echter over te twisten, zek­er wan­neer hij quotes van HegelArendt of Harari op zo’n manier gebruikt dat het onduidelijk is of hij wel vertrouwd is met het orig­inele mate­ri­aal. Zo haalde hij laat­stge­noemde Israëlis­che his­tori­cus en filosoof Yuval Noah Harari meer­maals aan in het open­ingscol­lege van Carl Devos, waar hij Harari gebruik­te als argu­ment waarom we alle­maal het nation­al­isme nodig hebben. Pro­fes­sor Harari spreekt echter in meerdere van zijn boeken en inter­views over de flex­i­biliteit van cul­tu­ur en dat nation­al­isme een achter­haald idee zou zijn. Han­nah Arendt haalde hij dan weer aan in zijn beruchte Gut­men­sch-opini­es­tuk, waarin hij links voor de keuze plaat­ste tussen een open­gren­zen­beleid en een wel­vaartsstaat. Alweer een vreemde keuze, aangezien dat vol­gens Arendt, een joodse en linkse filosofe die naar de VS vluchtte tij­dens WWII, die twee elka­ar niet uit­sluiten, maar juist gecom­bi­neerd moeten wor­den.

Meneer De Wev­er haalt de meeste Lati­jnse gezegdes of quotes van bek­ende intel­lectue­len aan. Of dit een teken van intel­li­gen­tie is valt echter over te twisten

Mijn punt is bij deze niet te zeggen dat De Wev­er een onin­tel­li­gent man is, want dat hij intel­li­gent is lijkt me een feit. Mijn punt is dat hij geen genie is en op zich niet uit­blinkt temid­den van zijn con­cur­renten.

Das Wahre ist das Ganze

Deze schi­jn­bare con­tra­dic­tie tussen De Wev­er als mens en medi­afigu­ur wijst op een bredere ten­dens in de heden­daagse poli­tiek. Pop­ulis­ten en beroep­spoliti­ci zijn namelijk geen nieuwe con­cepten. Een poli­tiek sys­teem met bestu­ur­ders die pro­fes­sioneel zijn ingekaderd en met out­siders die zich nogal onhandig tegen dat estab­lish­ment willen afzetten, is al zo oud als het par­lemen­tair sys­teem. Zelfs in het oude Rome, waar meneer De Wev­er zo ver­zot op is, kun­nen we dezelfde dynamiek terugvin­den. Pop­ulisme of beroep­spoliti­ci zijn dus niet nieuw en kun­nen dus ook niet aan de basis liggen van de recente kloof tussen politi­ci en burg­ers.

Wat echter wel nieuw is, is dat wij recent als maatschap­pij liev­er over poli­tiek spreken, dan over de prob­le­men die de poli­tiek hoort op te lossen. Het is schri­j­nend dat wij Tom Van Grieken ervan beschuldigen een pop­ulist te zijn in plaats van een xeno- of homo­foob. Wij hebben het steeds vaak over de vorm van poli­tiek, de strate­gieën en het soort mensen. Maar op die manier wor­den de prob­le­men in onze maatschap­pij ver­geten. Dit lijkt me een betere verk­lar­ing voor de ‘kloof’, waar iedereen zo ver­zot op lijkt te zijn.

Pop­ulisme of beroep­spoliti­ci zijn dus niet nieuw en kun­nen dus ook niet aan de basis liggen van de recente kloof tussen politi­ci en burg­ers.

Wat opvalt aan Bart De Wev­er is niet dat hij hyper­in­tel­li­gent is of een meester­stra­teeg, maar dat hij iemand is die dit vormelijk spel­let­je volledig onder de knie heeft. Samen met de media heeft hij van zichzelf een beeld gecreëerd als ‘de staats­man’ en dat beeld wordt nu voort­durend bekrachtigd in praatprogramma’s en andere poli­tieke analy­ses. Is meneer De Wev­er een strate­gisch genie of is dat wat pan­elle­den in De Afspraak zei­den toen zijn par­tij uit het niets verkiezin­gen begon te win­nen? Is meneer De Wev­er hyper­in­tel­li­gent of werd hij bek­end als kan­di­daat in De Slim­ste Mens? Deze nadruk op vorm, die gebaseerd is op een ver­haal, is een goede reflec­tie van de zielige staat van ons nation­aal debat. En miss­chien verk­laart dit hoe in een land waar weke­lijks stu­den­ten op straat komen voor een werk­end kli­maat­beleid en maan­delijks nog andere groepen met een ver­wi­jt aan de over­heid, de cam­pagne maar traag op gang komt.