Doopdecreet: vlees noch vis?


Deze lezersbrief werd ons ingezonden door Pieter De Pauw. Hij was in de academiejaren 2016-2017 en 2017-2018 studentenbeheerder aan de universiteit en als dusdanig medeverantwoordelijk voor het toezicht op de dopen.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 8/12/2018 – 17:20 door

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Pieter De Pauw

De afgelopen tijd lever­den nieuws­bericht­en over doop­in­ci­den­ten opnieuw gemakke­lijke muni­tie voor de crit­i­ci. Dit soort voor­vallen geeft niet enkel de verenig­ing in kwest­ie een slechte naam, maar beschadigt ook het ima­go van het stu­den­ten­leven. Dat is spi­jtig, want de meerder­heid van de stu­den­ten­v­erenigin­gen doet er wel alles aan om van de doop een onver­getelijke ervar­ing voor alle schacht­en te mak­en. Maar net daarom is het voor hen ver­lei­delijk om elke vorm van kri­tiek gemak­shalve te proberen over­stem­men door luid­keels en met de vingers in de oren #DOOPISDOPE te scan­deren.

Om het ima­go van dopen opnieuw op te krikken doen we er goed aan kri­tis­che bemerkin­gen niet zomaar naast ons neer te leggen. We moeten ook erken­nen waar het min­der loopt en daar­voor oplossin­gen vin­den. De antwo­or­den die gebo­den wor­den in de lez­ers­brieven die onlangs in Scham­per ver­sch­enen, hebben me op dat vlak echter op mijn honger lat­en zit­ten. Dat verenigin­gen de doop­tra­di­tie volledig de rug toek­eren, zoals Kai De Cock bepleit, lijkt niet echt real­is­tisch. Ook Jaime Mor­eira Resina kan ik niet vol­gen in zijn over­tuig­ing dat de negatieve ver­halen enkel van bekrompen en ongeïn­formeerde crit­i­cas­t­ers komen.

Ik denk dat zow­el oorza­ak als oploss­ing voor dit negatieve ima­go op een veel fun­da­mentel­er vlak gezocht moet wor­den. Het doopde­creet en de doop­con­t­role, de ultieme argu­menten à décharge vol­gens de voor­standers van de doop­tra­di­tie, hebben immers nog vele zwakke plekken waaraan gesleuteld moet wor­den.

Vol­gens mij is het cen­trale prob­leem dat het Gentse doopde­creet tij­dens zijn evo­lu­tie een ambigu karak­ter heeft ontwikkeld. Hoewel het doopde­creet zich door het con­cre­tis­eren van haar waar­den in detail­rijke bepalin­gen schi­jn­baar tot een regle­ment heeft ont­popt, heeft dit zich niet ver­taald in meer toezicht door de Kon­ven­ten en de uni­ver­siteit. In de prak­tijk bli­jft de navol­ging ervan door de beperk­te con­t­role en een gevoel van straf­feloosheid nog steeds een zaak van engage­ment. Het doopde­creet blijkt zo vlees noch vis.

Evolutie van het doopdecreet

In 2005 ontstond er voor het eerst bin­nen de erk­ende stu­den­ten­v­erenigin­gen een breed draagvlak om stu­den­ten­dopen zelf te reg­uleren. Ze wouden ver­mi­j­den dat dopen uit de hand zou lopen door wat men toen reeds beschreef als ‘het onver­ant­wo­ord gedrag van een min­der­heid van verenigin­gen en ver­ant­wo­ordelijken’. Het resul­taat werd de voor­lop­er van het huidi­ge doopde­creet, een com­pacte gedragscode van een tien­tal algemene krachtli­j­nen. De focus lag niet zozeer op spec­i­fieke regels maar eerder op algemene principes, zoals dit citaat uit de aankondig­ing aan­toont: “[We vra­gen] reken­ing te houden met de vol­gende ‘richtli­j­nen’, zeg maar: regels van het gezond ver­stand”. Door het onder­schri­jven van dit doc­u­ment engageerde elke stu­den­ten­v­erenig­ing zich om schacht­en respectvol en ver­ant­wo­ord te behan­de­len en over­last voor bewon­ers te beperken.

Wat begon als vanzelf­sprek­ende richtli­j­nen, groei­de uit tot een uit de kluiten gewassen regle­ment, waar­van de acht­en­twintig artikels een wasli­jst aan inhoudelijke en admin­is­tratieve voorschriften bevat­ten.

Ondanks wat de naam sug­gereert, is het doopde­creet in feite nog steeds een vri­jwillige engage­mentsverk­lar­ing. Toch geloven veel stu­den­ten, inclusief Kai De Cock en Jaime Mor­eira Resina, ten onrechte dat het doopde­creet door uni­ver­siteit en stad als een bindend regle­ment wordt opgelegd. Die veron­der­stelling ontstond omdat Stad Gent en de hogeron­der­wi­jsin­stellin­gen sinds 2007 de pen ste­vig mee hebben vast­ge­houden, telkens als de tekst van het doopde­creet werd aangepast. Wat begon als vanzelf­sprek­ende richtli­j­nen, groei­de onder hun invloed na enkele jaren uit tot een uit de kluiten gewassen regle­ment, waar­van de acht­en­twintig artikels een wasli­jst aan inhoudelijke en admin­is­tratieve voorschriften bevat­ten. Omge­keerd evenredig leek door deze toen­e­mende externe beïn­vloed­ing het gevoel van eige­naarschap over het doopde­creet bij de verenigin­gen steeds meer te ver­wa­teren. Meer en meer ontstond in het stu­den­ten­leven de per­cep­tie dat het doopde­creet niet vri­jwillig door de verenigin­gen werd onder­schreven, maar hen ‘van hoger­hand’ werd opgelegd. Het streven naar een duurzame doop­tra­di­tie werd in plaats van een engage­ment … een regle­ment.

Toezicht op de naleving van het doopdecreet en sancties

Hoewel de externe invloed op het doopde­creet aanzien­lijk steeg, werd tot nu toe heel wat min­der aan­dacht besteed aan de con­t­role op het naleven van het doopde­creet. Noch de stad, noch de uni­ver­siteit, spe­len een actieve rol in het toezicht op stu­den­ten­dopen, maar lat­en deze ver­ant­wo­ordelijkheid volledig over aan Kon­ven­ten (i.e. de koe­pels van stu­den­ten­v­erenigin­gen). Uit deze autonomie blijkt dat ze veel vertrouwen hebben in de Kon­ven­ten. Die zijn uit­er­aard veel dichter bij de doop­tra­di­tie betrokken. Toch botst deze aan­pak op enkele ern­stige belem­merin­gen.

De top van de ijsberg

Eerst en vooral hebben de Kon­ven­ten – hoewel ze veel tijd en moeite steken in een zo goed mogelijke doop­con­t­role – niet de nodi­ge mankracht om elke doop van begin tot einde bij te wonen en op die manier alle inbreuken vast te stellen. Bin­nen een zeer gecon­cen­treerde peri­ode van enkele weken organ­is­eren de verenigin­gen namelijk één of – zoals in de meeste gevallen – meerdere doopactiviteit­en, al dan niet opgedeeld in kleinere groep­jes en ver­spreid over diverse locaties doorheen de stad. Dat zorgt ervoor dat een doop­con­troleur tij­dens deze ‘doop­pe­ri­ode’ heel wat con­troles per avond moet uitvo­eren. Hier­door moet men zich, na het con­trol­eren van vereis­ten waaraan men bij de organ­isatie van een doop moet vol­doen, vaak beperken tot een relatief kort bezoek. Men neemt als het ware een willekeurige steekproef. Op deze manier biedt de con­t­role vanzelf­sprek­end slechts een kort en onvolledig beeld van elke doop. Ondanks hun oprechte inspan­nin­gen observeren de doop­con­troleurs maar het top­je van de ijs­berg en hebben ze het raden naar wat er zich onder het waterop­per­vlak bevin­dt.

Een maat voor niets

De doop­con­t­role is niet de enige mogelijke manier waarop inbreuken aan het licht kun­nen komen. Ook schacht­en zelf hebben recht om tij­dens de doop het decreet in te kijken en con­tact op te nemen met de doop­con­t­role wan­neer ze twi­jfe­len of een opdracht in stri­jd met de regel­gev­ing is. Deze recht­en zijn weliswaar goedbe­doeld maar bli­jven vaak dode let­ter in de realiteit. Om hier­van gebruik te mak­en moeten de schacht­en immers ste­vig genoeg in hun schoe­nen staan om het hiërar­chis­che rol­len­spel op de doop te door­breken en in te gaan tegen de doop­meesters – waar­van ze nota bene al ver­moe­den dat die de regels overtre­den. Kor­tom, dit ide­al­is­tis­che sce­nario schetst een mooi beeld, maar in de prak­tijk is het ook niet meer dan dat.

Een kluwen van tegenstrijdigheden

Boven­di­en bli­jft het doopde­creet erg vaag en opper­vlakkig over zow­el het man­daat voor de con­t­role en de bestraf­fing als de omschri­jv­ing van deze bevoegdhe­den. In de tekst zelf staat niet ver­meld wie pre­cies wordt bedoeld met ‘de con­trol­erende instantie’ en ‘de per­so­n­en die bevoegd zijn tot het opleggen van de sanc­ties’. Voor een con­crete definiëring daar­van wordt ver­wezen naar een ‘Intern regle­ment der dopen’, dat echter ner­gens teruggevon­den kan wor­den. De Kon­ven­ten nemen de fac­to de doop­con­t­role voor hun reken­ing, maar kun­nen geen zware sanc­ties opleggen en moeten zich beperken tot bijvoor­beeld het uit­sluiten van de verenig­ing op bepaalde ‘stu­den­tikoze’ activiteit­en. Andere sanc­ties, met betrekking tot de sub­sidiëring en andere recht­en die ver­band houden met de erken­ning, kun­nen enkel wor­den opgelegd op basis van het ‘Regle­ment betr­e­f­fende de Stu­den­ten­v­erenigin­gen’, het regel­gevende kad­er dat de UGent hanteert voor haar erk­ende stu­den­ten­v­erenigin­gen. Aangezien het doopde­creet nooit offi­cieel door de UGent zelf werd bekrachtigd, ver­meldt de uni­ver­siteit het doopde­creet hierin even­wel ner­gens. Dit lei­dt tot bizarre tegen­stri­jdighe­den tussen het doopde­creet en het voorge­noemde regle­ment:

1) Het al dan niet onder­schri­jven van het doopde­creet vormt eigen­lijk geen voor­waarde voor erken­ning, i.t.t. wat in artikel 1 van het doopde­creet wordt beweerd. Een erk­ende verenig­ing die beslist om zich niet te verbinden aan het doopde­creet, kan hier­door zijn erken­ning in principe niet ver­liezen.

2) Bij een inbreuk van het doopde­creet kan de erken­ning van een verenig­ing niet geschorst of ingetrokken wor­den, ondanks de ver­meld­ing van schors­ing als sanc­tie in artikel 26 van het doopde­creet. Sedert enkele jaren wor­den de mogelijke aan­lei­din­gen voor deze tucht­sanc­ties door de UGent beperkt tot een lim­i­tatieve lijst. Hierin wordt ‘een schend­ing van het doopde­creet’ niet genoemd als mogelijke grond.

De noodzaak van betere controle

Zoals het nu func­tion­eert, biedt het sys­teem weinig garanties of stu­den­ten­v­erenigin­gen zich effec­tief over de hele lijn aan het doopde­creet houden. Aangezien stu­den­ten­dopen slechts zeer sum­mi­er wor­den gecon­troleerd en de drem­pel om prob­le­men te melden voor schacht­en erg hoog is, bli­jven veel inbreuken spi­jtig genoeg onder de radar. Zelfs als er inbreuken wor­den vast­gesteld, kun­nen deze inbreuken niet via de gebruike­lijke pro­ce­dures gesanc­tion­eerd wor­den. Dat is alles­be­halve onschuldig. Zon­der mid­de­len om overtredin­gen vast te stellen en aan te pakken, bestaat immers het risi­co dat er een gevoel van straf­feloosheid begint te heersen. Indi­en bepaalde verenigin­gen sys­tem­a­tisch het doopde­creet onges­traft kun­nen overtre­den, dreigt het gevaar dat andere verenigin­gen hun ent­hou­si­asme en hun geloof in de nut en de meer­waarde van het doopde­creet ver­liezen.

Hoewel acht­tien van hen het doopde­creet effec­tief had­den ondertek­end en zeven­tien het zelfs als ‘noodza­ke­lijk’ had­den beo­ordeeld, bleek dat de meeste respon­den­ten het toch niet zo nauw namen met de regels van het doopde­creet.

Lat­en we daarin immers niet naïef zijn. Hoewel de ruime meerder­heid van Gentse verenigin­gen zich zek­er achter het idee van het doopde­creet schaart, staan we namelijk toch nog ver van een volledi­ge vol­breng­ing van wat erin bepaald staat. Vorig jaar werd dit vast­gesteld in een belei­d­se­val­u­atie, die door twee UGentstu­den­ten over het decreet werd opgesteld. Om te peilen naar de effec­tiviteit van het doopde­creet bevroe­gen ze negen­tien doop­meesters uit diverse Gentse verenigin­gen. Hoewel acht­tien van hen het doopde­creet effec­tief had­den ondertek­end en zeven­tien het zelfs als ‘noodza­ke­lijk’ had­den beo­ordeeld, bleek dat de meeste respon­den­ten het toch niet zo nauw namen met de regels van het doopde­creet. Zowaar alle negen­tien ondervraag­den bleken hon­den- of kat­ten­vo­er gebruikt te hebben, der­tien lieten hun schacht­en rauwe eieren con­sumeren en niet min­der dan vier doop­meesters gaven zelfs toe dat er slachtafval werd gebruikt op hun doop. Aan de andere kant is het posi­tief nieuws dat de meeste stu­den­ten­v­erenigin­gen hun voor­zor­gen nemen, zoals het opvra­gen van medis­che fich­es, het meen­e­men van EHBO-kits en het aan­bieden van flu­o­hes­jes ‘s avonds.

Vrijwillig maar niet vrijblijvend

In dit licht is het niet ongepast om kri­tis­che vra­gen te stellen. Ongeoor­loofde prak­tijken uit­ban­nen kan vol­gens mij enkel door het doopde­creet nog ste­viger ver­ankeren als zow­el engage­ment als regle­ment. Aan de ene kant moeten we ervoor zor­gen dat het doopde­creet niet louter gezien wordt als een ver­plicht­ing, maar dat de intrin­sieke moti­vatie om op een ver­ant­wo­orde manier te dopen opnieuw aange­wakkerd wordt. Meer dan de con­crete voorschriften is het immers belan­grijk om de nadruk te leggen op achterliggende waar­den zoals respect en ver­ant­wo­ordelijkheid. We moeten ernaar streven over­al in het stu­den­ten­leven een gezonde doop­cul­tu­ur uit te dra­gen, waarin verenigin­gen ern­stige overtred­ers niet langer tol­ereren. Pre­cies om deze cultuur(omslag) te bew­erk­stel­li­gen is het belan­grijk dat alle indi­vidu­ele stu­den­ten­v­erenigin­gen een gevoel van eige­naarschap behouden en samen met andere actoren vol­doende inspraak hebben in het doopde­creet.

Aan de andere kant moeten we er vanzelf­sprek­end ook over bli­jven wak­en dat het doopde­creet niet vri­jbli­jvend wordt en aan alle inbreuken duidelijke con­se­quen­ties wor­den ver­bon­den. Wie het doopde­creet ondertekent, verbindt zich tegen­over alle andere onderteke­naars immers om zich eraan te houden. Con­t­role is daar­voor essen­tieel. Om de dopen nog uitvo­eriger dan nu te toet­sen moet de con­t­role wellicht op een andere manier – miss­chien als ruimere peer-review met een grotere pool van con­troleurs – geor­gan­iseerd wor­den. Enkel zo kan men het ver­loop van dopen grondi­ger con­trol­eren. Boven­di­en moeten sanc­ties stelsel­matig uit­ge­spro­ken wor­den bij alle inbreuken, zelfs als ze niet extreem genoeg zijn om in de media te komen. Dat vergt een vlot­tere samen­werk­ing tussen de kon­ven­ten en de uni­ver­siteit. Die laat­ste moet alle afsprak­en die met de stu­den­ten­v­erenigin­gen en de stad samen vast­gelegd wor­den in het doopde­creet ook effec­tief imple­menteren als voor­waar­den voor erken­ning. Enkel zo kun­nen overtred­ers serieus aangepakt wor­den.

Enkel door res­olu­ut op te tre­den tegen het soort doop­prak­tijken dat niet door de beugel kan, mak­en we duidelijk dat de Gentse stu­den­ten een duidelijke stan­daard hanteren wat dopen betre­ft.

Laat ons het slechte ima­go van stu­den­ten­dopen niet aan­pakken door enkel te focussen op posi­tieve ver­halen, maar ook door heel bewust onze ogen niet te sluiten voor wat er wel mis­gaat. Hoewel het doopde­creet een vri­jwillig engage­ment inhoudt, mag het in geen geval vri­jbli­jvend wor­den. Pas als dergelijke belem­merin­gen voor een grondi­ge con­t­role op het naleven van het doopde­creet en een vlot­ter bestraf­fing van inbreuken wor­den wegge­haald, vormt het doopde­creet meer dan een belofte. Enkel door res­olu­ut op te tre­den tegen het soort doop­prak­tijken dat niet door de beugel kan, mak­en we duidelijk dat de Gentse stu­den­ten een duidelijke stan­daard hanteren wat dopen betre­ft. Op die manier ligt voor een sterke, heden­daagse Gentse doop­tra­di­tie ongetwi­jfeld nog een lange toekomst open.