Gent Jazz: magiërs en professoren


De tweede en meteen ook laatste ‘jazzdag’ lokte ons met de veelbelovende Pharoah Sanders, maar bekoorde vooral met Vijay Iyer.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 20/07/2018 – 0:00 door Olivi­er Van­der Bauwe­deNicky Van­degh­in­ste

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.


 

Jason Moran and The Bandwagon

Jason Moran and The Band­wag­on

Al leek hij nog z’n pyja­ma te dra­gen toen hij achter de piano plaats nam, toch klonk Jason Moran even energiek als anders. Dat die energie even op zich liet wacht­en, lag miss­chien aan de stoel waar Tarus Mateen schi­jn­baar moeil­ijk op kon bli­jven zit­ten. ‘The chair is not so great’, werd verkondigd, waar­na hij het fret­loze instru­ment dan maar recht­staand ging bespe­len. De muziek van Jason Moran and The Band­wag­on is moeil­ijk te cat­e­goris­eren: van lange modale num­mers, naar post­bop en een Thelo­nious Monk trib­ute, met inspi­ratie uit klassieke muziek tot zelfs hiphop. Dit in com­bi­natie met een dosis vir­tu­ositeit maak­te het pub­liek warm voor wat nog zou komen.

 

Vijay Iyer Sextet

Vijay Iyer Sex­tet

Een bek­end gezicht voor het fes­ti­val is zon­der twi­jfel Vijay Iyer. Alsof zijn genialiteit nog niet genoeg is om een hele avond te boeien, bracht de pianist en com­pon­ist deze keer een volledig sex­tet met zich mee, en wat voor één. Voor­namelijk alt­sax­o­fon­ist Steve Lehman viel op: niet alleen door z’n solo’s, maar ook door die bril die hij elke min­u­ut terug op z’n neus moest duwen. Ook cor­net­tist en trompet­tist Gra­ham Haynes kreeg met enkele elek­tro­n­is­che effecten de ogen op zich gericht. Maar even­veel lof gaat naar de ritmesec­tie, die bij­na onophoudelijk bleef werken, aangezien Iyer zijn com­posi­ties volledig op elka­ar laat aansluiten. De hele set was als het ware één trip door het hoofd van de Har­vard pro­fes­sor. Tot vol­gend jaar, Vijay.  

 

Pharoah Sanders Quartet 

Pharoah Sanders


“Voor wie ik kom? Pharaoh Sanders natu­urlijk.” Pharoah Sanders bleek miss­chien toch niet zo’n grote bek­end­heid te zijn bij het Gentse pub­liek, toch zek­er niet alvorens hij als head­lin­er op de affiche was ver­sch­enen. Nochtans speelde de leg­ende ooit nog in het kwin­tet John Coltrane, en noemde Ornette Cole­man hem ‘prob­a­bly the best tenor play­er in the world’. De vraag van de avond was dan ook: is hij dat nog? We zagen een zwaar vooroverge­bo­gen man van 77 het podi­um op slen­teren, enkele noten spe­len, om ver­vol­gens op z’n dode gemak in een halve cirkel rond de band te slepen en weer in z’n stoel te gaan zit­ten. Het leek wel de act van de gri­jze tove­naar die zich bejaard voor­doet, om ver­vol­gens allen te ver­bazen door zijn kun­sten te onthullen. Die magie was er bij Sanders zek­er: tussen de vele rust­pauzes door, waren er zijn unieke, krachtige, huilende gelu­id, met de gebruike­lijke over­to­nen. De toon was let­ter­lijk gezet. Naar­mate de avond vorderde, wis­selde het kwartet af tussen de modale grooves waar Sanders bek­end voor staat en enkele bal­lads. Spe­cial guest Nicholas Pay­ton wachtte geduldig op z’n cue om de num­mers naar een tech­nis­che cli­max te bren­gen, wat Sanders dan weer de nodi­ge inspi­ratie gaf. Hij leek er meer en meer zin in te hebben, maar ver­loor ook de focus die hij nodig had tij­dens het sol­eren. Dan maar een beet­je zin­gen, moet hij gedacht te hebben. De jazz werd omgeruild voor enter­tainende gospel, waar­bij Sanders dienst deed als priester en het pub­liek zijn gebe­den mocht beant­wo­or­den. De beloofde magie had plaats­ge­maakt voor aan­ge­name, goed­kope truc­jes.