Hotel d’Hane-Steenhuyse


In de Veldstraat staat een paleis. In dat paleis regeerde een koning honderd dagen lang. Een sprookje in het hart van Gent: Hotel d’Hane-Steenhuyse.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 6/04/2018 – 20:34 door Ele­na De Bac­quer

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Het is waarschi­jn­lijk­er dat je het gebouw al vele malen langsliep met je koop­grage blik gericht op eta­lages of op andere koop­grage blikken, dan dat je het gebouw in al haar glo­rie opmerk­te. Dat is spi­jtig, want het 18e-eeuwse stadspaleis bez­it, zoals de beste schoonheden, vorm én inhoud. Voorheen hid­den in plain sight, maar vanaf 30 maart open voor het brede pub­liek op elke vri­jdag, zater­dag en zondag van 14u tot 18u. Laat onze alledaagsheid buiten razen en stap de serene 19e eeuw bin­nen.

Louis-die-zwiet

Het majestueuze gebouw werd door drie gen­er­aties graven van de adel­lijke fam­i­lie D’Hane de Steen­huyse gebouwd. Het paleis is dan ook een amal­gaan van ver­schil­lende dec­o­ratieve en archi­tec­turale sti­jlen. Er zijn twee gevels: de in Lodewijk XV-sti­jl ont­wor­pen hoofdgev­el – die u waarschi­jn­lijk telkens steev­ast suc­cesvol negeert – ligt aan de Veld­straat en bevat zow­el barok- als roco­co-ele­menten. De achtergev­el is in neok­lassieke Lodewijk XVI-sti­jl. Anders dan de voorgev­el heeft de achtergev­el drie hor­i­zon­tale geledin­gen. Het gebouw bood door de jaren heen onder­dak aan tal van bij­zon­dere his­torische fig­uren. Zo was het paleis in de 19e eeuw vooral van nut voor het adel­lijke soci­etyge­beuren, met als hoogtepunt hier­van het verbli­jf van de uit Frankrijk ver­dreven kon­ing Lodewijk XVIII. Hij was de broer van Lodewijk XVI, die samen met zijn vrouw Marie Antoinette door de jolige Fransen in de nasleep van de Frans Rev­o­lu­tie wer­den geguil­loti­neerd. Samen met zijn hofhoud­ing regeerde hij er in ballingschap voor hon­derd dagen, de tijd die Napoleon nodig had om vanu­it zijn ver­ban­ning op het eiland Elba terug tri­om­fer­end Par­i­js bin­nen te tre­den. Afgezien van een enorme entourage en onmetelijke rijk­dom was de heers­er ook geze­gend met een fan­tastis­che eetlust. De Gen­tenaren die nieuws­gierig vanop straat het paleis bin­nenkeken, sprak­en dan ook over ‘Louis-die-zwi­et’, wan­neer de kon­ing er soms uren­lang enorme ban­ket­ten naar bin­nen speelde en hier­bij hevig tran­spireerde. Franse schri­jver en politi­cus François René de Chateaubriand reis­de mee in zijn gevolg. Non­cha­lant kun­nen we nog enkele andere illus­tere gas­ten ver­melden, zoals Tal­leyrand, Frans diplo­maat die diende onder vier konin­gen en één keiz­er, Alexan­der I, tsaar van Rus­land, John Quin­cy Adams, Amerikaans diplo­maat en lat­er pres­i­dent, en Willem I en II der Ned­er­lan­den.

De Pruikentijd

De ruimtes op het gelijkvlo­ers hebben veeleer een rep­re­sen­tatieve func­tie. Het zijn salons en zalen die type­r­end zijn voor het des­ti­jdse rijke soci­etyleven van de gegoede sociale klassen. Vooral de hoge balza­al à l’i­tal­i­enne is rijke­lijk gedecoreerd met pla­fond­schilderin­gen, spiegels, een ere­trap en een par­ketvlo­er met drie ver­schil­lende ingelegde hout­soorten. De kamers op de verdieping waren dis­creter. Men vin­dt er slaap­kamers van de heer en de vrouw des huizes (geschei­den, naar de gewoonte van toen), een bib­lio­theek, een kamer voor verza­melin­gen van de heer des huizes, een kamer met ‘chi­nois­erieën’ (de hogere klassen toon­den in de 19e eeuw een obsessie met het Verre Oost­en en wijd­den niet zelden een kamer aan dit the­ma), een salon met piano en dergelijke. De kelders en zold­erkamers wer­den gebruikt als dien­stru­imtes. De kamers wer­den ingericht met veel aan­dacht voor sym­me­trie en hiërar­chie. De muren wer­den zo sym­metrisch mogelijk ingedeeld met wand­plat­en, ven­sters, behang, echte en valse deuren, en elke kamer heeft haar eigen kleurschema. Alles samen geeft het een serene, opgeruimde doch orna­mentele indruk, die typ­isch is voor de peri­ode. In de 20e eeuw raak­te het gebouw helaas in onbruik. In 1949 opende men er het Muse­um der Hon­derd Dagen, dat slechts op een beperkt suc­ces kon reke­nen. Hoewel het gebouw intussen eigen­dom is van de stad Gent en in de jaren 90 werd geren­oveerd, is het over­duidelijk dat het zek­er aan beter onder­houd toe is. Ten aanzien van dit streven werd in de inkomhal een col­lecte­bus geplaatst voor de bezoek­ers. Vergeet dus niet enkele brief­jes in de doos te lat­en dwar­re­len wan­neer je uit je koets stapt en voor een uurt­je intrek neemt in het illus­tere stadspaleis!