Wederwoord uwer Kwesties


Tweewekelijks proberen we een prangende vraag van een lezer of een willekeurige medemens op te lossen. Deze week sta ik in voor de zoektocht naar de oorsprong van de wereldtentoonstelling.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/10/2017 – 9:03 door Daan Van Cauwen­berge

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Vra­gen lei­den tot meer vra­gen, zoals me op een woens­da­gavond weer eens duidelijk werd. Ik was me behoor­lijk belache­lijk aan het mak­en op een quiz (in mijn verdedig­ing: het was een moeil­ijke), toen er plots een vraag gesteld werd over wereld­ten­toon­stellin­gen, die vreemde expo’s waarop alle lan­den als arro­gante oud­ers bij elka­ar komen om te pochen over de presta­ties van hun burg­ers. Plots stelde iemand me de vraag: “Hoe zijn die wereld­ten­toon­stellin­gen eigen­lijk ontstaan?” Wel, het antwo­ord op de quizvraag bleef ik jam­mer genoeg schuldig, maar ik kan in ieder geval een antwo­ord geven op deze tweede vraag.

“Vredevolle bijeenkomst”

De negen­tiende eeuw: een tijd van tech­nol­o­gis­che vooruit­gang, cul­tu­ur en impe­ri­al­isme. Het zijn dan ook deze drie ele­menten die geleid hebben tot het ontstaan van de expo. Ons ver­haal begint in Frankrijk, waar de regering zich al snel realiseerde dat een economis­che her­vorm­ing de enige manier was waarop het land groot kon bli­jven in een indus­trieel Europa. Con­creet namen de Fransen de taak op zich om tech­nolo­gie pop­u­lair te mak­en bij het volk: in 1844 wer­den tien expo­si­tions uni­verselles geor­gan­iseerd in de strat­en van Par­i­js, waar de nieuw­ste tech­niek werd ten­toongesteld aan het volk. Een groot suc­ces!

Aan de overkant van het kanaal keek de andere Europese groot­macht met jalo­erse ogen toe. Prince Albert, u wel bek­end als de kleine man van de grote Queen Vic­to­ria, reageerde zoals enkel een Britse roy­al dat zou kun­nen: door in 1851 een gigan­tisch glazen paleis, The Crys­tal Palace, neer te zetten in het mid­den van Lon­den, de Britse tech­nol­o­gis­che praal ten­toon te stellen en alle lan­den uit te nodi­gen voor ‘The Great Exhi­bi­tion’. Een kleine overkill, dus.

En hier­bij was het start­sein gegeven voor de wereld­ten­toon­stellin­gen. West­erse groot­macht­en probeer­den elka­ar om beurten de loef af te steken met nog grandiozere con­struc­ties en nog meer baan­brek­ende uitvin­din­gen dan de ander. Hier­door zagen de fax­ma­chine, de tele­foon, de Eif­fel­toren en het Atom­i­um het licht, om maar enkele voor­beelden te noe­men. Tegelijk groei­de de expo ook uit tot een sym­bool van de vrede, een plaats waar weten­schap­pers van over heel de wereld bijeenkwa­men. Zo lei­d­de het impe­ri­al­isme per ongeluk tot de vrede. 

Sinds de jaren ’90 zien we echter dat de wereld­ten­toon­stelling een heel nieuwe wend­ing heeft genomen. Wie van­daag de dag aan expo’s denkt, denkt niet meer aan weten­schap en mon­u­menten, maar aan een hele­boel kraam­p­jes en winkelt­jes. Dat is een cor­recte analyse, want lan­den zien de wereld­ten­toon­stelling nu veeleer als een manier om hun inter­na­tionale ima­go op te krikken. Daar­door doet het nu wat denken aan een soort Eftel­ing gevuld met afgeza­agde stereo­types. Maar ja, wie wil nu ook zijn weten­schap­pelijke ken­nis delen met de rest van de wereld als hij fri­eten met bier kan staan verkopen?