Verleden zelf


“Ik kan mij jou niet inbeelden.” Een bib­lio­theek, dat zal ze zek­er hebben. Twee chester­fields, zoals ze alti­jd al gewild heeft. Een lege vogelkooi staat in de hoek van de kamer. Ze draagt een lange rode man­tel, haar lang wit haar opgesto­ken in een staart. Ze leunt wat meer naar voren, en legt haar ger­impelde…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 2/12/2018 – 16:59 door Katrien Van­den­broeck

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

“Ik kan mij jou niet inbeelden.”

Een bib­lio­theek, dat zal ze zek­er hebben. Twee chester­fields, zoals ze alti­jd al gewild heeft. Een lege vogelkooi staat in de hoek van de kamer. Ze draagt een lange rode man­tel, haar lang wit haar opgesto­ken in een staart. Ze leunt wat meer naar voren, en legt haar ger­impelde hand op de mijne.

“Neen dat kan je inder­daad niet, verleden zelf.” 

“Zal je wel nog bestaan, bin­nen 44 jaar?”

“Wel…”

“Miss­chien sterf ik in tussen­ti­jd. Ben je nu dood?”

“Hum, ja, dat zou kun­nen.”

“Ergens in een auto-ongeluk.” 

Ze glim­lacht zacht­jes. Ik herken mijn scheve tanden.

“Waarom lach je?”, vraag ik.

“Je hebt nog steeds ongelofe­lijke dwaze ideëen over de Dood, gri­et­je.”

“Maar hoe is dat nu, oud zijn? Hoe ziet de Wereld eruit?”

“Ik weet ook dat je hoofd propvol zit met vra­gen over deze Wereld.”

“En hoe…”

“En hoe jouw lev­en zal uit­draaien.” (zucht)

Ze staat op, en gaat aan de ven­ster­bank zit­ten. Ik hoor haar heup krak­en, geloof ik. 

“Eigen­lijk voeren we deze dis­cussie enkel maar omdat je het plot van ‘t ver­haal al reeds onder ogen zou willen hebben, dol gri­et­je”, haar stem klinkt bit­ter, teruggetrokken. “Ach, hoe hard­nekkig je er soms naar ijverde jouw toekom­stige zelf weer­spiegeld te zien! Je stelde haar vra­gen over welke keuze je zou moeten mak­en, welke din­gen je zou moeten zeggen, en Liefde! Liefde! Liefde! Zo’n obsessie! Je hoeft niet zo rood te kleuren, verleden zelf, wees gerust: ik begri­jp het. Onwe­tend­heid luurt, elke stap je zet. Voor­spellen is weten hoe je tot de beste ver­sie van jezelf zou kun­nen komen. Nou, je hoeft nu ook weer niet zo treurig te kijken gri­et­je.”

“Maar ver­tel mij gewoon: ben ik goed bezig?”

“Goed, goed, alles is relatief, he.”

“Zou ik beter…?”

“Waarschi­jn­lijk.”

“Wat als…?”

“Kijk wat naar buiten, gri­et­je”, zegt ze, “Kijk!”

De zon kleurt oran­je, de wolken paars, de dag trekt zijn einde uit.

“De tijd is er nog steeds.”

“Maar…”

“Luis­ter, gri­et­je, luis­ter”, zegt ze, “De mens heeft sedert de Oude Grieken gegist wat voor toekomst hem nog te wacht­en staat. Van de goden zijn we naar de weten­schap­pen getrokken. Dat het uni­ver­sum in begri­jpelijke cat­e­gorieën te vat­ten staat, dat wet­ten ons tot onze daden bren­gen. Dat men er wel ooit in zal sla­gen te weten wie ik hier en nu ben. Maar hoe dan ook: biol­o­gis­che tijdelijke wezens die we zijn, zullen we nooit zek­er weten. Het is een onoverkoom­bare beperk­ing. Wij wor­den meegesleept door iets dat grot­er is dan onszelf. Maar vergeet niet, gri­et­je, je moet iets niet ver­geten”, ze wijst mij naar de ster­ren die nu begin­nen te ver­schi­j­nen, “Sec­on­den zijn nu alweer voor­bij. Het ver­haal schri­jft alti­jd verder, en zelden zoals je gedacht had.”

Ze trekt haar man­tel uit.

Een vogel ontsnapt.