Uit de kast komen 2.0


  Tig keer heb ik hem her­lezen, mijn orig­inele tekst. Ze bevat­te provo­cerende analo­gieën, zoals het een doorsnee col­umn betaamt: het liefdesspel – een blokkendoos met een rond gat en een cilin­der, mijn moed­er – een lopend huwelijks­bu­reau dat overuren draait om aan haar dochter een geschik­te man te offer­en. De pointe, opnieuw een essen­tieel ken­merk van…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 4/11/2018 – 17:10 door

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

 

Tig keer heb ik hem her­lezen, mijn orig­inele tekst. Ze bevat­te provo­cerende analo­gieën, zoals het een doorsnee col­umn betaamt: het liefdesspel – een blokkendoos met een rond gat en een cilin­der, mijn moed­er – een lopend huwelijks­bu­reau dat overuren draait om aan haar dochter een geschik­te man te offer­en. De pointe, opnieuw een essen­tieel ken­merk van de col­umn, kwam op het vol­gende neer: ik zou mot­ten van­gen in die kakkast. Tuss­enin nog een paar expli­ci­ete allusies naar seks, et voilà, con­tro­ver­sieel taal­ge­bruik ten top. Dat zou toch wel vol­doende zijn om Scham­per te halen?

Ik tek­ende af met een enkele let­ter J.

Nu, hier is een andere ver­sie. Een betere, want wat ik in mijn orig­inele tekst had gedaan, is wat ik al een lange tijd doe. Mij ver­stop­pen.

Om te begin­nen, mijn naam begint met een M, niet met een J.

Om te eindi­gen, ik was – ben – word ver­liefd op mensen – op jou – op hem – maar eerlijk, meestal op haar.

Neen, ik heb geen fetisj voor ker­atines, het gaat wel degelijk om het per­soon­lijk voor­naam­wo­ord dat ook wordt gebruikt als anderen over mij willen prat­en. Zij. Ik. M maar niet J. Doet het ertoe?

Om te eindi­gen, ik was – ben – word ver­liefd op mensen – op jou – op hem – maar eerlijk, meestal op haar.

Jawel, genoeg om te zwi­j­gen toen twee vriendin­nen onthulden dat ze een kop­pel waren, om iedere keer te liegen als mijn beste vriendin vraagt of ik nog nie­mand op het oog heb, om in nota bene de Bland­i­jn rond te lopen als een ver­meende het­erosek­sueel, om niet ‘mensen zoals’ ik te antwo­or­den toen mijn opa vroeg wat holebi’s zijn (we ver­sch­enen weer eens in ’t nieuws).

Ter­wi­jl ik nu let­ter voor let­ter tik, tikken de sec­on­des hier nog steeds voor­bij. Hier is geen kast. Slechts een soms donkere, soms veilige, maar door­gaans een­zame plaats waar alleen het gerikketik van ik hoor­baar is.

Waarom dan plots zo osten­tatief open­har­tig in een of ander stu­den­ten­blad? Omdat de kast mij sti­laan ego­cen­trisch maakt. Omdat ik aan­dacht wil. Tal­loze slapeloze nacht­en gin­gen ver­loren aan iden­titeit­son­tled­ing gevol­gd door de vra­gen: wie zal ik het zeggen? Wie eerst? Wan­neer? Hoe? Of lat­er? Of nooit? Maar vooral: waarom?

Waarom moet ik mezelf ver­ant­wo­or­den om iemand lief te hebben? Als deze pos­to­rig­inele tekst werke­lijk ver­schi­jnt, dan wil ik jouw aan­dacht trekken. Jij, een andere ik die zich ook ver­stopt. Op de open vlak­te van dit A4 sluiten we ons aan bij de meute dansende mensen, dat de mot­ten mogen stikken, want lover is het enige label dat telt en gevierd moet wor­den.