Tirade van de eetcultuur


Disclaimer: volgende uitgebraakte woordsla en vermeende betekenisvolle opinie is afkomstig van een student die totaal geen kennis van zaken heeft en in een emotionele golf zijn frustraties moest kanaliseren via het medium van het geschreven woord.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/02/2019 – 19:19 door Nathan Laroy

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Daar zat ik dan, in dat audi­to­ri­um dat gehuldigd is aan Jan Broeckx – niet dat iemand weet wat die mens heeft uit­ge­spookt om dat te ver­di­enen – langza­am in slaap te vallen. Ik had de nacht voor­di­en toch een solide vijf uur in dromen­land kun­nen ver­to­even. Het duurza­amhei­d­skan­toor van de UGent had een debat­ten­reeks onder de naam ‘Voed­selka­r­avaan’ aangekondigd en met het huidi­ge kli­maat betr­e­f­fende de marsen voor het kli­maat – woord­grap­je – verwachtte ik daar miss­chien nog een kri­tis­che noot te horen die een real­is­tis­che benader­ing kon poneren voor de voed­se­laf­val­berg. Naar ver­lu­idt, indi­en we de CO2-uit­stoot die gepaard gaat met voed­selver­spilling vergelijken met de uit­stoot­ci­jfers van de groot­ste luchtvervuilende lan­den, komt dit uit op de derde plaats. Niet geheel irrel­e­vant. Ik moet toegeven, ik was ver­rast. Meer zelfs, ik was enigszins beschaamd. Zek­er toen pro­fes­sor Uyt­ten­daele het pub­liek een defin­i­tieve, verni­eti­gende kaak­slag gaf met de med­edel­ing dat een kwart van die ver­spilling honger de wereld uit kan helpen.

Er werd, zoals het een weten­schap­per betaamt, rijke­lijk met cijfer­ma­te­ri­aal en overge­com­pliceerde tabellen in het rond gegooid en ondanks de sterk ver­min­derde capaciteit van mijn werkge­heugen kon ik er toch uit dis­tilleren dat wij Vlamin­gen sim­pel­weg veel inkopen, maar te weinig effec­tief con­sumeren. Eerlijk gezegd vond ik dit moeil­ijk te geloven, mijn eet­ge­woontes spreken dit namelijk diame­traal tegen. Enige zelf­cor­rec­tie: niet iedereen is mij natu­urlijk.

Ik denk bij mezelf: da’s erom vra­gen, hé!

Daar­na passeerde een exor­bi­tant getal de revue: 240.925 ton ver­spild voed­sel en drank per jaar per Vlaams gezin, gebleken uit een brede dag­boek­studie. Zelfs na rel­a­tiver­ing van dit getal, gezien de betwist­bare validiteit van dag­boek­stud­ies, moest ik toch even slikken. Mijn moe­heid bleek echter weinig ver­zoen­baar met de daaropvol­gende pre­sen­taties van de aan­wezige spreek­sters, die zichzelf ver­heer­lijk­ten met hun geleverde anti-ver­spillings­beleid. Dubieuze houd­baarhei­ds­da­tums kwa­men vaak ter sprake.

“Het is de schuld van de fab­rikant! De ver­val­da­tums zijn ver­war­rend!” – “Maar neen, er is zoi­ets als pro­duc­taansprake­lijkheid. Die fab­rikan­ten willen nu een­maal geen doden op hun naam hebben staan als iemand bedor­ven broc­coli opeet.” (parafrase). Je kan echter niet tegen­spreken dat kwets­bare entiteit­en, zoals zieken­huizen en crèch­es, baat hebben bij een ver­duidelijk­ing van ver­war­rende ver­val­da­tums, en zo het ver­mi­j­den van bedor­ven voed­sel en alle micro­bi­ol­o­gis­che patho­genen die daar­bij betrokken zijn. Blijk­baar zijn er immers twee soorten ver­val­da­tums: use by date (strikt) en best before date (flex­i­bel) – ik denk bij mezelf: da’s erom vra­gen, hé!

Mijn facepalms escaleer­den; er kwa­men noties van ambitieuze plan­nen naar boven over hoe we de ver­spilling­sprob­lematiek kun­nen aan­pakken. “Nu ja, een iets te vanzelf­sprek­end frame­work dat onder het mom van een ‘ongeziene, rev­o­lu­tion­aire visie’ werd aange­bo­den, dekt de lad­ing ver­moedelijk iets beter”, dacht ik pseu­do-kri­tisch. Diag­nose, strate­gie & actie klinkt nog vager dan de gemid­delde tweet van Rik Torfs, en moeil­ijke ter­men als cir­cu­laire toepassin­gen en cocre­atie door stake­hold­ers klinken holler dan een echo in de grot­ten van Han. Toen ik hoorde dat de Europese poli­tiek de herdefiniëring van die ver­val­da­tums op hun agen­da had geplaatst, ver­moed­de ik ook reeds dat het niet voor de vol­gende maan­den zou zijn.

Diag­nose, strate­gie & actie klinkt nog vager dan de gemid­delde tweet van Rik Torfs

Het lijkt alsof de meerder­heid veel plan­nen heeft, maar weinig daad­kracht om strakke reg­u­latie en ambitieuze oplossin­gen te ver­wezen­lijken. Er zijn natu­urlijk uit­zon­derin­gen, zoals de vele stand-alone organ­isaties die als gat­en in een mid­del­matige super­mark­tkaas ver­spreid zijn over onze globe. Zij doen wat ze kun­nen, ook al is dit weinig doorslaggevend.

Ik ga nu niet pre­tenderen dat ik alle oplossin­gen kan aan­bieden, zo hypocri­et ben ik dan wel om alleen te bekri­tis­eren. De titel sug­gereert genoeg: ik ben een gefrus­treerde stu­dent die zelf ook soms te moe is om te achter­halen of die pud­ding met bedenke­lijke ver­val­da­tum nog net wel of niet ver­ant­wo­ord veror­berd kan wor­den.

Ik denk echter wel dat mensen niet meer kun­nen koken. Veel ver­spilling is het gevolg van de alom gevrees­de rest­jes­dag, als we het dan tot gezin­sniveau gaan reduc­eren. Er zijn daar wel makke­lijke oplossin­gen voor die elk indi­vidu met een beet­je moeite kan door­vo­eren. Weekmenu’s opstellen, bijvoor­beeld, is niet zo veel werk. En als de kleine kind­jes hun eten niet willen ope­ten, is de oud­er­wetse ijz­eren hand niet geheel mis­plaatst, ver­moed ik. Iedereen eet zijn bord nu een­maal leeg, dat is basise­ti­quette. Lat­en we hier­bij allen kook­lessen vol­gen! Immers, als een mens kan koken, kan een mens ook rest­jes ver­w­erken in pre­sentabele gerecht­en. Het is een kwest­ie van dynamis­che eet­cul­tu­ur. En het is onmid­del­lijk goed­kop­er voor de porte­mon­nee, wat voor stu­den­ten alti­jd een hand­ig extraat­je is. Het gaat over­duidelijk niet onmid­del­lijk van bove­naf komen. Maar aangezien ik moe word van al die betogin­gen, beoog ik liev­er een actieplan op kleinere schaal door te voeren.

Mijn eigen tirade zit er hier­bij op. Doe ermee wat je wilt. Ik ga slapen, ik ben moe. De wereld draait ges­taag door en hopelijk zijn er nu een paar indi­viduen meer die wat extra let­ten op hun eet­ge­woon­ten.