Streek van de week


Elke streek heeft zo zijn bijzonderheden. In Ieper gooien ze katten van de toren, in Geraardsbergen eten ze mattentaarten en Aalst is doordrenkt met marginaliteit. Wij voeren elke editie de meest prominente clichés aan een regionale club en zien hoe zij die verteren.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 7/10/2018 – 17:04 door Senne De Reuse

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Pro-senior Cédric “Kadoi” Ver­hulst en nieuw­bakken senior Fred­erik ‘Zjiel’ De Leen­heer aan het woord.

‘Mar­gin­Aalst’, klopt dit cliché bin­nen jul­lie club?

C: We zijn daar fier op. Als je in Gent mensen uit Aalst tegenkomt, is de reac­tie telkens dezelfde: ‘Oil­sjt! Plezi­er!’. Als ze ons mar­gin­aal noe­men, rea­geren wij daar met een kwinkslag op.

F: Het is geweten dat we hevige jon­gens zijn. We gaan ons nooit inhouden. Miss­chien soms wat plat, maar alti­jd met veel humor en zelfrelativering.Vooral met de clubavond Mar­ginale rolling, wan­neer we ons hullen in ons beste jog­ging­pak en de cafés onveilig mak­en, kan ik best geloven dat mensen van ons denken dat we mar­gin­aal zijn.

Moet je uit Aalst komen om lid te kun­nen wor­den?

F: Je moet op een of andere manier een band hebben met Aalst. Leden die ons let­ter­lijk en figu­urlijk niet begri­jpen, zouden al snel uit de boot vallen.

C: Stu­den­ten­clubs zouden vol­gens som­mi­gen eli­tair zijn. Over Moed­er Oil­sjterse gaan de gerucht­en dat enkel jon­gens uit het Sint-Jozef­s­col­lege welkom zijn. Dat is natu­urlijk niet zo. Dat je nen toffe pé van Oil­sjt zetj is het enige wat telt.

Aalst is de car­navalsstad bij uit­stek, hef­fen jul­lie car­naval­sliederen aan op een can­tus?

F: We houden elk jaar een car­navalscant­us, waar we uit­slui­tend car­naval­sliederen zin­gen. Mijn favori­et is Oil­sjt, goj stad van droeimen, aangezien dat ons clublied is.

C: Het is ook mijn favori­et. Tegen het einde van een can­tus dur­ven we ook al eens de lied­jes van den Iejen­dracht (de voet­bal­club Een­dracht Aalst, red.) scan­deren. Zoals Belis­si­ma en de Zwette Maan.

Op de web­site zag ik dat elk lid een bij­naam heeft. Hoe wor­den deze toegek­end?

(in koor): Club­naam!

F: In hun eerste jaar moeten schacht­en zich bewi­jzen. Ze moeten de tradiejs­es ken­nen en een wasli­jst opdracht­en door­ploeteren. De club­naam kri­jg je aan de hand van je ver­wezelijkin­gen. Een schacht die het niet goed heeft gedaan, kri­jgt een bij­naam die navenant is. We hebben iemand die alti­jd valsspeelde bij opdracht­en, die heet toepas­selijk ‘Trisj’. Ik kreeg de naam ‘Zjiel’ toegewezen, van de uit­spraak ‘we trekkn alle­moal oant zel­ste zjiel’.

C: Mijn bij­naam is ‘Kadoi’ en komt van ‘kadee’. Ik was een zoge­naamd straffe kadee. Het heeft nog een andere beteke­nis, maar… die kun­nen we je helaas niet zeggen (lacht).

Mar­gin­Aalst? Wij zijn daar fier op!

Waarom kan je dat niet zeggen?

F: We zouden het je kun­nen zeggen, maar dan zouden we je in de Den­der moeten kieperen.

Helaas heb ik mijn zwem­broek niet bij. Zijn er zo nog tra­di­ties die sinds de jaren negentig mee­gaan?

F: Goh, niet echt. Terugk­erende even­e­menten zijn onder andere de Tour de France en het gal­a­bal, dat we sinds jaar en dag organ­is­eren in de Filatu­ur in Aalst. Natu­urlijk is dé belan­grijk­ste tra­di­tie voor onze verenig­ing het car­naval in Aalst.

C: Het is niet zo dat we met de hele club afspreken, maar we lopen elka­ar daar ieder jaar tegen het lijf. Tij­dens de popver­brand­ing spreken we wel af op de Grote Markt om samen een pot­je te janken, zoals het hoort op de laat­ste dag.

Hoe is de relatie met de stu­den­ten uit Den­der­monde? Stinken die echt?

F: Natu­urlijk (knipoog).

C: We hebben een gezonde rivaliteit met die man­nen. Tegen­over elka­ar hangen we de grote jan uit, maar achter­af pakken we samen wat pin­ten en is alles terug in de sakosj.

Hebben jul­lie nog een mooie Oil­sjterse afs­luiter?

(Alweer in koor): Atoit en oev­er­aal gaas gevn.