Smells like Teen Sweat


Nirvana besefte het al in 'Smells Like Teen Spirit': geuren zijn wel degelijk een groot deel van ons bestaan. Van cultureel erfgoed tot parfumbibliotheken, binnen de wetenschap worden geuren almaar belangrijker. Of nemen ze ons alleen maar bij de neus? 

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 15/03/2020 – 18:37 door Keanu Col­paertKobe Ser­royen

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Cultureel erfgoed met een geurtje

Wan­neer men over cul­tureel erf­goed spreekt, gaat het vaak over gebouwen, tra­di­ties en kun­st. Bin­nenko­rt zullen we daar ook bepaalde geuren aan mogen toevoe­gen, zoals de geur van oude boeken, of de nos­tal­gis­che geur van een boomhut. Som­mige mensen zijn namelijk bang dat geuren zouden verd­wi­j­nen door die ver­domde toen­e­mende dig­i­talis­er­ing. In Japan bestaat er al een lijst met typ­isch Japanse geuren sinds 2001 met onder andere zeewind en sake-stok­er­i­jen erop. Het is miss­chien een goed idee om ook een Bel­gis­che lijst te mak­en. Luikse wafels, een pak fri­eten, een frisse pint, een koeien­wei: kan­di­dat­en genoeg.

Een team weten­schap­pers aan UCL (Uni­ver­si­ty Col­lege Lon­don, red.) vond dit in ieder geval een goed idee. Maar omdat geur vaak iets abstracts is, begonnen ze met een cas­es­tudy om te proberen de geur te con­cre­tis­eren. Het onder­w­erp van die studie was de geur van oude boeken. Mensen wer­den gevraagd om te omschri­jven wat ze roken om zo een geur­wiel te ontwikke­len. Dat zou de weten­schap­pers een beter beeld geven van het aro­ma dat ze willen vast­leggen. Hier stu­it men natu­urlijk op een prob­leem, want canon­is­eren en mak­en is alle­maal goed en wel, maar je moet een geur eerst kun­nen benoe­men. Enter taal­weten­schap­pers Asi­fa Majid en Niclas Buren­hult van het Max Planck Insti­tu­ut voor Psy­cholin­guïstiek in Nijmegen, die zich afvroe­gen of geuren beschri­jven een prob­leem was dat zich bij de hele men­sheid voor­doet en of dat dan iets biol­o­gisch is, of het te mak­en heeft met taal­beperk­ing.

Bin­nenko­rt zullen we daar ook bepaalde geuren aan mogen toevoe­gen, zoals oude boeken of de nos­tal­gis­che geur van een boomhut

Het blijkt vooral dat laat­ste te zijn. Zo hebben Majid en Buren­hult ont­dekt dat mensen die Jahai – een taal die wordt gespro­ken door jagers en voed­selverza­me­laars in de bergen van het Malei­sis­che schierei­land Malak­ka – spreken wel twaalf zelf­s­tandi­ge naam­wo­or­den hebben om geuren uit te drukken. Die woor­den zijn abstract, zoals ‘blauw’ en kun­nen voor meerdere lucht­jes gebruikt wor­den. Zo is /plƐɁŋ/ een woord dat de geur van bloed, vers vlees en verse vis beschri­jft. /ltpɨt/ gebruik je dan weer als je de geur van bloe­men, rijp fruit, par­fum, zeep of van de beer­marter wil over­bren­gen. Zo zie je maar dat onze west­erse tal­en niet alti­jd zo gea­vanceerd zijn als we denken, zek­er als het om ruiken gaat. Het ont­breekt ons dus duidelijk aan weten­schap­pelijke woor­den om de geur van de stink­ende sokken van je broer te omschri­jven.

Criminele geurtjes

Natu­urlijk kun­nen we ook het hele prob­leem van menselijke taal omzeilen. Kijk bijvoor­beeld naar de Chi­nese stad Nan­jing, waar men bezig is met een zeer bij­zon­dere geur­bank. Daar proberen ze er namelijk één op te richt­en met de lichaams­geur van mis­dadi­gers. De bedoel­ing is dat de lijfgeur van de mis­dadi­ger opges­la­gen wordt, zodat poli­tiehon­den de geur kun­nen vergelijken met geuren die ze op een plaats delict tegenkomen en zo de schurk kun­nen iden­ti­fi­ceren. Eigen­lijk een mooie manier om zak­en sneller te proberen oplossen. Momenteel is de geur­bank vijfhon­derd geuren rijk. Om de geuren bruik­baar te houden wor­den ze bij ‑18 graden Cel­sius bewaard, zo bli­jven ze drie jaar goed. Miss­chien kun­nen we deze sam­ples gebruiken om een crim­i­neel goed par­fum te ontwikke­len?

ParFun

Voor de bin­nenko­rt afges­tudeerde curieuzeneuzen die graag met geur bezig zijn, is er ook nog het ISIPCA, een Frans insti­tu­ut voor geuren en cos­met­i­ca. Geuren wor­den hier trouwens in de brede zin gebruikt: ze onder­zoeken alles van par­fum tot de geur van vers gebakken ham­burg­ers. Hier komen niet enkel geuren aan bod, maar ook smak­en. Alti­jd al een wor­tel willen mak­en die ruikt naar een veld vol bloe­men, maar smaakt als een dode olifant? Rep je naar Frankrijk en haal een bach­e­lor (of mas­ter) of sci­ence in de par­fumerie! Voor de arme zon­daars die niet naar Frankrijk kun­nen, of de goede Greta’s die hun voetafdruk willen verkleinen: ze hebben ook een online leer­plat­form waar je de lessen online kunt vol­gen. Par­Fun gegaran­deerd!

Osmothèque

Als je het na zes jaar toch beu bent om te stud­eren, kan je nog ergens anders terecht met je nieuws­gierige neus. Zo kan je er het over­heer­lijke aro­ma van een nieuw of oud boek nog terug vin­den. Niet zo’n boeken­fan, maar toch zin om je favori­ete jeugdgeuren nog eens te ruiken? Rep je dan naar de Osmoth­èque, een Franse par­fumbib­lio­theek die als doel heeft om een hele hoop par­fums te bewaren. Ze hebben meer dan 3.200 par­fums, waar­van er 400 niet eens meer beschik­baar zijn. Onder deze par­fums vind je leg­en­darische geuren zoals het par­fum van Katha­ri­na de Grote of de ‘eau de cologne’ die Napoleon droeg tij­dens zijn ver­ban­ning naar het eiland Sint-Hele­na. Ze werken ook samen met de Franse geuren-uni­ver­siteit ISIPCA, waar de voorz­it­ster van de Osmoth­èque studeerde. Daar­door hebben ze ook een grote verza­mel­ing recepten voor ver­schil­lende par­fums, bijvoor­beeld aroma’s uit de eerste eeuw, zoals beschreven door Plin­ius, of mid­deleeuwse ‘eau de toi­lette’ (wc-water, red.). De Osmoth­èque is niet alleen gewi­jd aan het verza­me­len van par­fums, maar ook aan de unieke geuren die als basis voor aller­hande zak­en gebruikt wor­den. Zo hebben ze een gigan­tis­che geuren­bib­lio­theek, waarin aroma’s bewaard wor­den die onder­tussen niet meer gemaakt kun­nen wor­den, omdat de grond­stof­fen uit­gestor­ven zijn. De Osmoth­èque is trouwens belache­lijk pop­u­lair: ze bezit­ten con­fer­en­tiecen­tra in Par­i­js en New York en geven zo’n 150 work­shops per jaar. Je kan er zelfs een privé­tour plan­nen. Dat ruikt naar kap­i­tal­isme.