Saint-Amand-Montrond


Dries aka de jonge Bob Ross Wiel­ren­nen is een prachtige sport. Ik zeg dat zon­der gêne, ondanks dat de sport de laat­ste jaren een ‘saai’ ima­go heeft gekre­gen. Ik durf er de koers­fi­ets van onze hoof­dredac­teur om te ver­wed­den dat de onver­laat die dit als eerste geop­perd heeft, nooit eerder de moeite nam om zich rustig…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 17/11/2019 – 16:12 door Dries Blon­trock

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Dries aka de jonge Bob Ross

Wiel­ren­nen is een prachtige sport. Ik zeg dat zon­der gêne, ondanks dat de sport de laat­ste jaren een ‘saai’ ima­go heeft gekre­gen. Ik durf er de koers­fi­ets van onze hoof­dredac­teur om te ver­wed­den dat de onver­laat die dit als eerste geop­perd heeft, nooit eerder de moeite nam om zich rustig in de sofa neer te vli­jen, de tele­visie aan te zetten en achterover te leunen ter­wi­jl de stem­men van Michel en José bin­nenk­abbe­len in de oren. Of – als de koers op VTM wordt uit­ge­zon­den – sneller naar het bak­je te spurten dan Caleb Ewan naar de meet en het vol­ume uit te schake­len, om ver­vol­gens dat van Sporza Radio wat luider te draaien. Vanaf je begint te kijken, ver­vaagt elk tijds­be­sef. Je rekent in kilo­me­ters in plaats van minuten. De wed­stri­jd eindigt immers aan de meet, niet om 16u30.

Er is een gigan­tisch pelo­ton aan rede­nen dat ik kan lat­en aan­ri­j­den voor mijn bli­jvende liefde voor dit – op het eerste gezicht vreemde – fenomeen, waar­bij iets meer dan hon­derd mensen uren­lang op een fiets ron­dri­j­den. Ronde van Vlaan­deren 2006, met een Boo­nen in de regen­boogtrui. Gent-Wevel­gem 2015, met een Steeg­mans in de gracht. Rio 2016, met een Van Aver­maet in het goud. Een­der welke grote ronde met Thomas De Gendt in een vroege vlucht op een leg­en­darische berg. Een top 10, met een Bel­gisch vlagget­je erin.

Ik dank er de wiel­er­go­den regel­matig voor dat ik me die namid­dag zo hard verveelde

Maar één naam steekt er voor mij toch met kop en schoud­ers bove­nu­it. Meer nog, niets bepaalt mijn kijkge­drag meer tij­dens een wiel­er­wed­stri­jd. Die naam is ‘Saint-Amand-Mon­trond’. Dit dor­p­je in het hart van Frankrijk, heeft een spe­ciale plek dat van mij ver­wor­ven. Op 12 juli 2013 vertrok het pelo­ton immers in de Tour de France in Tours voor wat 173 saaie, vlakke kilo­me­ters beloof­den te wor­den. De aankom­st­plaats was een onbeduidend dor­p­je in het mid­den van Frankrijk. In die veron­der­stelling was ik van plan om de tele­visie pas een tien­tal kilo­me­ter voor de aankomst aan te zetten. Want wie wil nu het vaste riedelt­je bek­ijken van vijf vluchters die kilo­me­ter­slang vergeefs sparte­len om uit de greep van een onver­bid­delijk pelo­ton te bli­jven? Ik dank er de wiel­er­go­den nog regel­matig voor dat ik me die namid­dag zó hard verveelde dat ik uit pure mis­erie toch maar besloot om de tv aan te zetten.

Wat toen gebeurde, tartte mijn twaalf­jarige ver­beeld­ing. Op een doo­dge­woon stuk­je plat asfalt stak de wind op en die blies het hele pelo­ton in brokken uiteen. Wiel­ren­ners van wereld­klasse woeien weer­loos weg in waaiers en alleen wie er die dag volledig met geest en lichaam bij was, bleef voorop. Uitein­delijk won Mark Cavendish de sprint in een uitge­dund groep­je, maar dat inter­esseerde me ver­rassend weinig. Op die zomerdag in 2013 leerde ik dat geen enkele koers ooit saai is, zelfs al eindigt hij in een voor­spel­bare mas­sas­print nadat vijf vluchters gegrepen zijn. Die aankomst in Saint-Amand-Mon­trond toonde me dat niks onmo­gelijk is in het wiel­ren­nen. Het is net díé weten­schap, dat alles kan gebeuren, die me telkens weer zin doet kri­j­gen om de tele­visie of radio aan te zetten wan­neer ik hoor dat er een wed­stri­jd verre­den wordt.

Gert Steeg­mans en gracht

Het is niet wat er gebeurt op het scherm dat me iedere keer weer naar de sofa lokt, maar het sluimerende gevoel dat het wel eens zou kun­nen dat er straks iets gebeurt. En iedere keer als dat het geval is, denk ik weer aan een klein Frans dor­p­je en dank ik glim­lachend de wiel­er­go­den. Bedankt, Saint-Amand-Mon­trond.