Recensie: Öndög


Een ode aan Mongolië door een Chinese regisseur met een plot waar iedere Duitser trots op zou zijn. 'Öndög' is een film die zo onvoorwaardelijk houdt van één plaats, dat hij misschien wel eens echt internationaal zou kunnen zijn.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 12/10/2019 – 14:45 door Daan Van Cauwen­berge

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

‘Öndög’ is een film met een iet­wat vreemde nation­aliteit. In feite is alles in de film door en door Mon­gools. Van de erg tra­di­tionele per­son­ages en de enscener­ing tot de cul­tu­ur en zelfs de taal van de titel. Voor velen is het dan ook miss­chien een ver­rass­ing om te horen dat de film een Chi­nese regis­seur heeft. Wang Quan’an werd al eerder inter­na­tion­aal geprezen voor een Mon­goolse film. Met ‘Tuya’s Mar­riage’ won hij toen een Gouden Beer op het film­fes­ti­val van Berli­jn. Na een paar min­der pop­u­laire Chi­nese films besloot hij weer op die Mon­goolse roots te focussen. Een goed idee, zo blijkt.

Cin­e­matografisch zit­ten we hier met beelden die de grens tussen schilder­i­jen en films doen ver­vagen. Het groot­ste deel van de film bestaat uit gigan­tis­che wideshots, waarin de mensen gere­duceerd wor­den tot kleine pun­t­jes op een scherm dat voor de rest gevuld wordt met de immense Mon­goolse grasvlak­tes. Wang Quan’an toont zichzelf zo als een meester van het medi­um in deze par­el, die eigen­lijk enkel op een cin­e­mascherm bekeken kan wor­den. Je voelt de kou van de Mon­goolse herf­st, deelt de rade­loosheid van de per­son­ages en voelt een sub­lieme angst voor de oneindigheid van de Mon­goolse grasvlak­tes.

Door deze mooie beelden gaat de plot een secundaire rol spe­len. Con­ver­sa­ties zijn eerder zeldza­am en ver­spreid over de film. Toch zit­ten er duidelijke thema’s in de film die het hele werk des te krachtiger mak­en.

De film gaat fun­da­menteel over de relatie tussen mens en natu­ur. Hier­voor bestaat uit­er­aard geen betere set­ting dan een Mon­goolse grasvlak­te, aangezien dit een van de weinige plaat­sen is waar de mens nog geen volledi­ge dom­i­nantie heeft over de natu­ur. Zoals in de film duidelijk wordt, moeten mensen hier nog steeds wijken voor de ijz­eren wil van de natu­ur. Toch wil de film juist deze grens tussen cul­tu­ur en natu­ur doen ver­vagen. Wang Quan’an doet er alles aan om te lat­en zien dat, hoe graag de mensen het ook zouden willen, ze nooit de natu­ur kun­nen ver­lat­en, en hoe ‘cul­tureel’ de mens zichzelf ook mag vin­den, hij zich alti­jd in de natu­ur bevin­dt. Uit niets blijkt dit duidelijk­er dan het per­son­age van de herder­svrouw, die enerz­i­jds dichter staat bij de natu­ur dan wie dan ook, maar anderz­i­jds ook voort­durend loopt te roken en te drinken.

Zo wordt de mens gekaderd als een dier tussen andere dieren, eerder een deel van de natu­ur dan haar con­cur­rent. Die bood­schap wordt extra duidelijk door de hevige nadruk van de film op de lev­en­scy­clus bij mens en dier. De film begint met een ver­mo­orde mens en het slacht­en van een lam. De film eindigt met een zwan­gere vrouw en de geboorte van een kalf­je. Zoals de film laat zien, hebben de mensen rond deze cyclus een hele cul­tu­ur gebouwd. Het lijk wordt onder­zocht door poli­tieagen­ten en de zwan­gere vrouw moet naar een dok­ter gaan, maar fun­da­menteel hebben we hier te mak­en met dezelfde processen.

Bin­nen deze reflec­tie op mens en natu­ur zit echter ook een ver­haal ver­stopt dat veel min­der ver­fris­send of inter­es­sant is. De film vol­gt de lev­ens van twee per­son­ages: Dinosaurus, een herder­svrouw, en een jonge poli­tieagent. De jonge poli­tieagent kri­jgt de taak om een lijk te bewak­en, tot­dat de rest van de agen­ten kan terugk­eren. Dinosaurus wordt door de poli­tiecom­mis­saris opge­dra­gen om voor de jonge agent te zor­gen. Het groot­ste deel van de film vol­gen we een dag in het lev­en van Dinosaurus en de agent tij­dens zijn zware opdracht.

Op dit niveau heeft de film vaak iets weg van een Duitse Bil­dungsro­man. Dat zijn pop­u­laire Duitse boeken waarin een jong hoofd­per­son­age, meestal een man, vol­wassen moet wor­den door lev­enser­var­ing op te doen. Vaak ver­w­er­ven ze die ervar­ing in oor­logen of in de natu­ur. De jonge agent is een erg stereotiepe pro­tag­o­nist in deze ver­halen: hij is jong, naïef en mensen lopen over hem heen, maar hij is gemo­tiveerd. Door zijn harde ervarin­gen in de velden wordt hij ‘een man’ en op het einde van de film lijkt hij ein­delijk klaar te zijn voor een vrouw met kinderen.

Het meest prob­lema­tis­che aan dit soort ver­halen is dat ze de neig­ing hebben een erg tox­isch beeld op gen­ders naar voren te schuiv­en. Er wordt in dit soort ver­halen een onhaal­baar ideaal­beeld van ‘de man’ gecreëerd. En verder hebben ver­halen in dit genre de neig­ing vrouwelijke per­son­ages te reduc­eren tot objecten in de tocht van de held naar vol­wassen­heid. Dat is althans wat gebeurt met de enige twee vrouwen in deze film. Dinosaurus wordt gere­duceerd tot ‘een wilde vrouw’ van wie de agent ervar­ing kri­jgt. Deze impact van Dinosaurus wordt gesym­bol­iseerd door sigaret­ten, die de agent pas rookt na zijn aan­varin­gen met haar. De andere vrouw is het onder­w­erp van de ver­liefd­heid van de agent, ze wordt voorgesteld als een soort tro­fee.

Kort samengevat: Op het vlak van beelden kri­jgt de film een dikke tien en het fun­da­mentele idee was mooi en ver­fris­send, maar de defin­i­tieve uitwerk­ing is diep con­ser­vatief in zijn behan­del­ing van vrouwen.