Prof Préféré: Maximiliaan Martens


Die ene van historische kritiek, die andere van biomechanica en ook nog dingske van verbintenissenrecht. De UGent barst van de intrigerende professoren. Wie zijn ze en wat doen ze? Maar vooral: wat drijft hen precies? Een exclusieve kijk in de wereld van onze Prof Préféré.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 26/03/2020 – 23:30 door Judith Lam­bertChar­lotte Mon­bailleu

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Toen het jaar nog uit de start­blokken moest schi­eten en alles nog rooskleurig leek, werd 2020 omge­doopt tot het ‘Van Eyck­jaar’. Een van de dri­jvende kracht­en achter de grote Van Eyck­ten­toon­stelling in het Muse­um voor Schone Kun­sten is Max­i­m­il­i­aan Martens. Maar naast ontrafel­er van de geheimen van het ‘Lam Gods’, is hij ook pro­fes­sor in de Kunst­weten­schap­pen.

Wat vin­dt u leuk aan les­geven?

“Ik heb les­geven alti­jd een van de leuk­ste din­gen gevon­den. Soms kan ik een col­lege geven vergelijken met pleit­en in een assisen­za­ak: proberen over­tu­igen met argu­menten op een bij­na-the­atrale manier. Het is dus eigen­lijk een beet­je the­ater spe­len. Bin­nen de kun­st­geschiede­nis is het ook eerder de norm om col­lege te geven aan grote groepen, een pub­liek. Behalve in tij­den van afs­tand­son­der­wi­js, zoals nu.”

Zijn er din­gen die u heel leuk of net irri­tant vin­dt aan stu­den­ten?

“Oh nee, stu­den­ten inspir­eren alti­jd.”

Heeft u tips voor stu­den­ten?

“Het aller­be­lan­grijk­ste vind ik dat ze plezi­er vin­den in het schri­jven. Dat is miss­chien meer een tip voor stu­den­ten in de lat­ere jaren en ook voor stu­den­ten in dis­ci­plines die veel moeten schri­jven. Probeer niet alleen te schri­jven omdat het moet, maar daar onder­tussen ook echt plezi­er in te beleven.”

En hoe heeft u zelf dat plezi­er gevon­den?

“Vooral door het heel veel te doen. Ik ver­tel mijn stu­den­ten vaak over een film­p­je van Tom Lanoye. Je ziet hem dan aan een tafel zit­ten ter­wi­jl hij schri­jft, en plots schi­et hij heel erg in de lach. Dat is echt beeldend voor het plezi­er van schri­jven. Of je nu acad­emis­che tek­sten schri­jft of lit­eraire, eigen­lijk doet dat er niet toe. Het gaat om het plezi­er vin­den om het op een goede manier te doen. Dat vind ik heel belan­grijk. Als prof merk je dat ook als je tek­sten leest.”

“Stu­den­ten inspir­eren alti­jd”

U bent al heel uw lev­en bezig met kun­st, bent u eigen­lijk zelf cre­atief of artistiek aan­gelegd?

“Nee, dat is gestopt door te stud­eren. Ik heb een artistieke oplei­d­ing gevol­gd aan Sint-Lucas. Ik was in de jaren 70 een van de eersten die dat deed, om na het secundair kun­ston­der­wi­js Kun­st­geschiede­nis aan de uni­ver­siteit te gaan stud­eren. Tij­dens mijn stud­ies zelf heb ik wel nog wat geschilderd, maar rond het derde jaar ben ik daarmee opge­houden. Maar ik hou me de laat­ste jaren wel bezig met fotografie. Dat is nu echt een hob­by gewor­den.”

Stel dat u terug kan gaan in de tijd en u voor één dag lev­ens kan wis­se­len met een figu­ur in de geschiede­nis. Met wie zou u dat doen?

“Dan zou ik toch wel kiezen voor Jan van Eyck. Ik maak­te mijn doc­tor­aat over het mece­naat in Brugge in de peri­ode van van Eyck. Ik ging toen enkele dagen per week van Gent naar Brugge en passeerde daar­bij telkens langs het Jan van Eyck­plein en het stand­beeld van van Eyck, en elke keer dacht ik: “Spreek tot mij!” Dus mocht ik met hem kun­nen wis­se­len, dan zouden er toch al een aan­tal vraagtekens, waar de kun­st­geschiede­nis al meer dan 200 jaar mee zit, opgelost kun­nen wor­den.”