Prof Préféré: Georges Martyn


Die ene van historische kritiek, die andere van biomechanica en ook nog dingske van verbintenissenrecht. De UGent barst van de professoren. Wie zijn ze en wat doen ze? Maar vooral: wat drijft hen precies? Een exclusieve kijk in de wereld van onze Prof Préférée.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 15/12/2019 – 14:33 door Ella Roose

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Georges Mar­tyn is de recht­en­prof der recht­en­prof­fen. Hij geeft al jaren les over rechts­geschiede­nis en weet ver­schil­lende stu­den­ten uit andere richtin­gen te ver­lei­den met juridis­che basisken­nis in het vak ‘Inlei­d­ing tot het recht’.

Weet u dat u een van de minst geliefde boeken die stu­den­ten moeten leren heeft geschreven?

Pro­fes­sor Georges Mar­tyn

“Ja, ik ben mij daar­van bewust (lacht). Ik weet niet zo goed hoe ik daarmee moet omgaan. Ik moet alleen maar omgaan met mijn stu­den­ten en ik denk niet dat ik een van de meest gehate prof­fen ben onder mijn stu­den­ten. Dat boek, ‘Ken­nis­mak­ing met recht en recht­sprak­tijk’, is een poging geweest om het hele Bel­gis­che recht op een bevat­telijke manier samen te bren­gen. Dus iets waar juris­ten vijf jaar over doen, wordt in één semes­ter, op twaalf weken gegeven. Dat is een moeil­ijke oefen­ing. Ik probeer zelf mijn eigen klem­to­nen te leggen in de lessen van dat vak. Andere prof­fen moeten met dat boek werken, dat zij niet geschreven hebben. En daar pleit ik onschuldig!”

Welke his­torische jurist zou u weer tot lev­en wekken om er een pin­t­je mee te gaan drinken? 

“In de vroeg­mod­erne tijd was er een jurist die Joost De Damhoud­er heette. Hij had de heel eige­naardi­ge bij­zon­der­heid dat hij boeken heeft gemaakt waarin ook prenten staan. Nu, een van mijn dada’s bin­nen weten­schap­pelijk onder­zoek is de inter­ac­tie tussen recht en kun­st. Joost De Damhoud­er was in de zestiende eeuw actief als advo­caat, dat ben ik ook. Hij heeft in Leu­ven ges­tudeerd en ik ook. Hij was een West-Vlam­ing en dat ben ik ook. En hij heeft in zijn juridis­che boeken prenten gebruikt uit inter­esse in kun­st en icono­grafie en ik heb dat ook gedaan.”

“Mijn tal­en­ten zijn niet meer ver­bor­gen”

“Dus mocht ik nu met Joost De Damhoud­er op café zit­ten, zouden we onder­w­er­pen hebben om over te prat­en. Uit een van zijn boeken komt een heel hard strafrecht, en ik snap dat in de con­text van die tijd. Maar het zou tof zijn om met hem eens te prat­en over hoe hij dat toen heeft kun­nen verdedi­gen. Hij had een heel andere, human­is­erende rol kun­nen hebben. ‘Als ge kijkt naar van­daag, Joost, zijn we dan niet veel beter bezig?’ ”

En heeft u toe­val­lig ver­bor­gen tal­en­ten? 

“Nee, ze zijn niet meer ver­bor­gen. Ik heb ooit één keer, der­tien jaar gele­den, gezon­gen in mijn col­lege en ik had toen ook mijn gitaar meege­bracht. Dat is toen op YouTube beland en dat staat daar nog alti­jd. En ieder jaar opnieuw vra­gen stu­den­ten mij of ik weer muziek ga spe­len dit jaar. Maar neen, ik heb dat maar één keer gedaan. ‘t Was nu wel ‘Warm­ste Week’ en daar heb ik wel een lied­je gezon­gen.”

“Ik kan ook genoe­gen vin­den in het huis op orde zetten, is dat een ver­bor­gen tal­ent (lacht)? ”

U draagt alti­jd een kos­tu­um, hoe komt dat?

“Ik denk dat dat te mak­en heeft met mijn achter­grond. Ik kom uit een heel tra­di­tionele fam­i­lie en ik ben ook een aan­tal jaar advo­caat geweest. Der­tig jaar gele­den was het nog evi­dent dat je naar de recht­bank ging in kos­tu­um en das. Als ik ga les­geven en ik heb mijn kos­tu­um aan, dan ben ik de pro­fes­sor. Ik trek dan mijn werkkledij aan. Dus voor alle duidelijkheid: op zondag of ‘s avonds loop ik thuis niet rond in kos­tu­um. Er is de huiselijke jon­gen en daar­naast de pro­fes­sor, die een kos­tu­um draagt. Mijn vrouw zou soms eens dur­ven zeggen als we al aan het eten zijn: ‘Ja, maar zou je nu niet je kos­tu­um aan­doen?’ En dan wilt ze eigen­lijk zeggen: ‘Zou je niet nor­maal begin­nen doen?’ ”