Ode aan de strip


Strips worden de negende kunst genoemd, en onterecht is dat absoluut niet. Voor mij zijn ze een warm, nostalgisch bad in strookvorm.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 26/02/2023 – 12:34 door Anaïs Vanass­che

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Er zijn maar weinig boeken inter­es­sant als je nog niet kunt lezen. Toch zat ik thuis als kind vaak naast de grote boekenkast, die nog grot­er lijkt als je klein bent. In kleer­mak­er­sz­it op het linoleum door­bladerde ik een ein­de­loze reeks strips, uit een ein­de­loos lijk­ende voor­raad op de planken. De tek­st­bal­lon­net­jes sloeg ik over, de uit sim­pele lijn­t­jes bestaande gezicht­jes zijn toch expressief genoeg om een groot deel van het ver­haal mee te kri­j­gen, niet? Din­gen die ik niet begreep, vulde ik aan met verzin­sels; lezen was voor lat­er. Ik heb veel strips door­bladerd, ook toen ik effec­tief kon lezen, maar nu – het lat­er van toen – ben ik daarmee gestopt. Ik vraag me af waarom.

Fan­ny zal alti­jd de liefde vin­den, ook al duurt ze maar een album

In strips zijn er nog zek­er­he­den. Fan­ny zal alti­jd de liefde vin­den, ook al duurt ze maar een album. Pro­fes­sor Gob­eli­jn ver­spreekt zich tot in de eeuwigheid en Jef Patat zit nog steeds onder zijn brug. Jerom is een lev­ende deus ex machi­na, en Car­men rookt in de vroege albums meer wel dan niet. Vecht­en, wat toch een vrij beweeglijke activiteit is, kan een stripteke­naar op slechts één kadert­je uit­beelden: in een draaikolk van ster­ret­jes, wolken, cha­gri­jnige hoof­den en klap­klare vuis­ten. De albums ruiken naar gloed­nieuw glanzend papi­er – de beste geur ter wereld – of, in het geval van de albums die mijn oud­ers als kind kocht­en, een beet­je stof­fig.

Vloeken gebeurt niet vol­gens de regels van het dagelijks lev­en, maar in uitroeptekens, ster­ren, Chi­nese tekens, doo­d­shoof­den met gekruiste been­deren en varken­skop­pen. Door de grond zakken doe je met een groot rood uitroepteken boven je hoofd. Ner­gens wor­den zoveel prachtig beeldende ono­matopeeën gebruikt als in strips. Een strijk­i­jz­er dat op je hoofd valt zegt ‘pok’. Aan een touwt­je trekken lev­ert het gelu­id ‘snok’ of ‘vrot’ op, soms zelfs een com­bi­natie van bei­de. Eten klinkt als ‘hap’ en bij de meer lawaaierige eters ‘slik’ en ‘smek’. De titels zijn geni­aal, gaande van ‘De hoed van Robin’ en ‘Blond en blauw’ tot ‘De ringelingter­ror­ist’ en ‘Game of drones’.

Strips behoren niet tot het vak­je van de grote lit­er­atu­ur, maar werelden schep­pen waar je op pak­weg 46 pag­i­na’s een ver­haal met span­nings­bo­gen en al kunt vertellen, en dat keer op keer, is een vak apart. Stripteke­naars mak­en lezen toe­ganke­lijk voor mensen die op obstakels stu­iten bij boeken. Ze verbinden gen­er­aties.

Onlangs zei mijn zus dat ze af en toe wel nog eens een strip leest voor ze gaat slapen, en dat heeft me geïn­spireerd om nog eens naar de boekenkast te trekken waar onze strips nog steeds alle­maal staan. De afgelopen jaren vulde ik met boeken van schri­jvers die al jaren dood zijn; ik wil alti­jd maar terug, zelfs naar tij­den die ik nooit heb meege­maakt. Strips lees ik nooit meer. Maar waarom eigen­lijk? Als zo’n groot deel van mijn kinder­ti­jd gewoon in de kast ligt te wacht­en?