Ode aan de stadsduif


Oh, hoe de pauw met zijn pluimen pronkt op de kinderboerderij en de elegante zwaan in Brugge zijn nek tentoonstelt aan de sinds kort terug ingevlogen toeristen. Zo heeft de stadsduif tragisch genoeg weinig te bieden, op vlak van looks dan toch.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 24/10/2021 – 20:33 door Pieter-Jan Frees

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Een stadsduif laat niet met zijn kloten rammelen

Nee, de stads­duif is geen zoon van schoonheid en weelde, maar het is wel een nobel diert­je dat de straat belichaamt. Zo onder­schei­dt hij zich van alle andere even gri­jze duiv­en. Net als elke stedel­ing gebruikt hij het voet­pad, eet hij van ons eten en geni­et hij van dezelfde water­we­gen. Maar wat zijn karak­ter betre­ft is er een eigen­schap die uit­blinkt boven de andere duiv­en. Deze geved­erde rat heeft cojones. Een stads­duif laat niet met zijn kloten spe­len. Wan­neer we aan arro­gant geved­erte denken, zal de gans meer noten op zijn zang hebben, maar deze laat­ste heeft een veel grotere kas om zich te onder­schei­den van onze torte­lende duiv­en.

Een nederig bestaan

De duif is niet gewapend tegen con­flict. Hij heeft klauwen noch tanden noch spieren om over naar huis te schri­jven. Hij is geen roofvo­gel. De duif over­leeft puur op ego; een arro­gantie gek­weekt door het harde straatleven. Hij gaat door het lev­en als een oppor­tunist met een wel­ge­meende ‘fuck you voor elke tegenslag die zijn richt­ing uitkomt. Loop je te dicht bij een bos­duif, dan doet hij het in zijn broek; de angsthaas flad­dert de hoog­ste boom in en kijk je op de ver­keerde manier naar een gans, dan gaat hij hissen. Zo onre­delijk als de gemid­delde Over­poort­ganger op een don­derda­gavond.

Ja, we mogen het eens benoe­men: de stads­duif kijkt echt op ons neer. Het kan hem niet veel sche­len wat je doet tot hij iets van je wil. Dat klein diert­je doet zelfs geen moeite om te flad­deren als wij mastodon­ten in de buurt komen. Hij heeft wel belan­grijkere zak­en aan zijn klein hoofd­je. Soms loopt hij eens wat sneller als je hem inhaalt, of laat hij je voor als je zijn pad kruist. Maar uitein­delijk is het alle­maal heel sim­pel: waar wij de apexroofdieren zijn van het dieren­rijk, hebben we niks te zeggen over de stads­duif. Die flad­dert omdat hij het wil of heel soms omdat het echt niet anders kan, met tegen­zin. Elke duif heeft karak­ter, maar deze hipt en hopt op zijn eigen manier door de strat­en. Waar de bos­duif het benauwd kri­jgt, heeft zijn stedelijke tegen­hang­er onze filosofie goed overgenomen. Wij zijn voor hen de auto’s die door het Gentse cen­trum rij­den, de stads­duif waant zichzelf de zwakke wegge­bruik­er. Als hij over­steekt, denkt hij al snel: “Nee, jíj moet stop­pen”. Want de strat­en van Gent zijn van de auto, noch van de voet­ganger. Daar­voor loopt er maar al te vaak een arro­gante duif voor je voeten. En dat mag zo bli­jven.