Ode aan de slaap


Stralen van een lage, zwakke ocht­end­zon doen ogen weer dichtkni­jpen. Een zucht ontsnapt de lip­pen en een borstkast gaat nog eens hard op en neer. Het paar ogen probeert zich voorzichtig weer open te doen. Prikkend en tra­nend nemen ze traag de omgev­ing in zich op. Een ijzige, rom­melige kamer ont­waart zich en na nog een diepe ademhal­ing banen…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 8/01/2020 – 20:11 door Bil­lie Thiessen

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Stralen van een lage, zwakke ocht­end­zon doen ogen weer dichtkni­jpen. Een zucht ontsnapt de lip­pen en een borstkast gaat nog eens hard op en neer. Het paar ogen probeert zich voorzichtig weer open te doen. Prikkend en tra­nend nemen ze traag de omgev­ing in zich op. Een ijzige, rom­melige kamer ont­waart zich en na nog een diepe ademhal­ing banen de benen zich een weg onder het warme deken uit, naar de koude grond. Dan moet het snel gaan. Nog half slapend lopen de benen van het bed naar de ver­warm­ing en verder naar de bad­kamer. De douche wordt aangezet en loei­warm gedraaid. Daar, onder die stomende stralen, ont­waakt de rest van het lichaam. Rekkend en zeurend wrin­gen lede­mat­en zich in bocht­en om met moeite het bloed weer deftig te lat­en stromen. Als laat­ste wordt het gezicht onder de stralen gehouden, in een ver­woede poging om de slaap uit de ogen te ver­dri­jven. Even lijkt het te lukken. Het water wekt het lichaam tot lev­en, al bli­jft het hoofd nog een beet­je suf.

Met pijn in het hart moet de waterkraan echter weer dichtge­draaid wor­den. Het duurt niet lang of het lichaam verkrampt weer volledig. Pijn­lijke, stek­ende kou. Zo snel mogelijk wordt de groot­ste, dik­ste hand­doek van het rek genomen om het lichaam weer warm te doen kri­j­gen, of toch net iets min­der ver­sti­jfd te lat­en wor­den. Het dro­gen gebeurt snel, het aan­kle­den nog sneller. Tot slot wordt tanden­po­et­sen nage­noeg overges­la­gen. In de ocht­en­drush vergeet het lichaam de ver­moei­d­heid, bij­na. Het doel om ergens te rak­en dri­jft het lichaam voort. Goed ingepakt wordt een fiets buiten gere­den. Goed ingepakt, met als inzet om de verzu­urde spieren te doen ontspan­nen, al is dat niet het echte prob­leem. Met half dicht­ge­plak­te ogen wordt er weg­gere­den van de ver­warm­ing, de warme douche en het zachte bed. Met een enorme hartzeer, maar het geweldige vooruitzicht om alle drie de minna­ressen vanavond weer te zien.

Onder­tussen is de zon verd­we­nen. Het lijkt nu zowaar donkerder dan toen de ogen voor het eerst van­daag wer­den geopend. Vooroverge­bo­gen, schoud­ers opgetrokken, maar met wijd gesprei­de ogen wordt er verder gefi­etst. Of zo voelt het toch. In werke­lijkheid zijn enkel de schoud­ers gebo­gen, de han­den verk­lampt rond het stu­ur en de ogen half dicht. Gelukkig wordt de bestem­ming snel bereikt. Vlucht­end naar bin­nen, stelt het lichaam zich weer recht. Nog steeds zit er een enorme kou in de bot­ten, maar het wordt een beet­je beter aan de opper­vlak­te. Hier en daar een sym­pa­thieke glim­lach uit medeli­j­den. Iedereen zit in het­zelfde schuit­je. Iedereen beleeft dezelfde moeil­ijke peri­ode.

Tijd om zich te installeren. Een goede poging tot pro­duc­tiviteit wordt ingezet. Water, fruit, een cur­sus, een oran­je flu­os­tift en een pen, met deze wapens gaat de stri­jd tegen de ver­moei­de vaagheid van start. Met een wazig zicht wordt er begonnen aan een tocht door niet­szeggende zwarte tekens en afbeeldin­gen. Na een uur zijn er vijf pagina’s over­won­nen, oftewel: er liggen nu vijf pagina’s op een andere stapel met hier en daar een oran­je streep op. Wat er op die vijf pagina’s staat? Nie­mand weet het. Het hoofd is te wazig om zich bewust te zijn van iets. Al waar het aan denkt is zachte wol, een dik, warm dons­deken en een donzig hoofd­kussen. In het hoofd ontwikkelt zich een beeld van rust. Er vormt zich een voorstelling van kalmte, zachtheid en ontspan­ning. Een peri­ode van ongelofe­lijke zorgeloosheid waarin het lichaam kan zweven, zich gewicht­loos kan voe­len en kan recu­per­eren. Met dat beeld vallen de ogen voorzichtig weer toe. Met het hoofd op de armen en de armen op de bank, zakt het lichaam weg in die gewicht­loosheid en verd­wi­j­nen zor­gen. Al wat overbli­jft, is een gelukza­lig gevoel in het hoofd.

Een ode aan de slaap.