“Niet meer, maar minder wifi”


Martin Schoups is onderzoeker aan de Vakgroep Sociale Geschiedenis. Hij vraagt zich af of overal wifi wel aangewezen is: "Concentratie is de grondstof waarop een universiteit draait, maar internet is de grootste spelbreker voor die concentratie."

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/12/2017 – 9:52 door

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Mar­tin Schoups
 

De menselijke hoeveel­heid aan­dacht op een dag is eindig. Dat is niet ver­won­der­lijk. Je con­cen­tr­eren is moeil­ijk en ver­moeiend. Daaren­boven is het een nul­som­spel. Aan­dacht kan maar op één plek tegelijk zijn. Je kan je bijvoor­beeld niet op je boek en tele­foon tezelfder­ti­jd con­cen­tr­eren.

“Con­cen­tratie is de grond­stof waarop een uni­ver­siteit draait”

Con­cen­tratie is dé grond­stof waarop een uni­ver­siteit draait. De ker­n­ac­tiviteit­en van de uni­ver­siteit – stud­eren, onder­zoeken, en schri­jven – vra­gen alle­maal uren onafge­bro­ken con­cen­tratie. Net als spieren kweken of trainen voor een marathon, zijn dit geen processen die ‘vanzelf’ gaan. Het zijn uitda­gende activiteit­en die veel inzet en doorzettingsver­mo­gen vra­gen, en niet zelden een beet­je pijn doen.

Uit mijn eigen ervar­ing als stu­dent en jonge onder­zoek­er weet ik dat het inter­net hier­bij de groot­ste spel­brek­er is. Track­ers als ‘Res­cue­time’ mak­en pijn­lijk duidelijk hoeveel energie er op een dag ver­loren gaat in de krocht­en van het inter­net. Op basis van vele gespreken weet ik dat ik lang niet de enige ben die worstelt met de sire­nen­zang van het inter­net. Programma’s als ‘Self­con­trol’ en ‘Free­dom’, die bepaalde sites of zelfs het hele inter­net voor bepaalde duur blokkeren, staan vaak geïn­stalleerd op de com­put­ers van onder­zoek­ers.  

Is dit louter een kwest­ie van een gebrek aan dis­ci­pline? Deels wel. Aan de andere kant kun­nen we niet blind zijn voor het feit dat het inter­net het ter­rein is voor ‘aan­dacht­shan­de­laars’. Hoewel veel dien­sten ons ogen­schi­jn­lijk gratis aange­bo­den wor­den op het inter­net, staat daar wel degelijk iets tegen­over. Dat is onze aan­dacht. Deze aan­dacht wordt ver­vol­gens verkocht aan eenieder die voor de adver­ten­ties wil betal­en.

Bedri­jven als Face­book, Insta­gram en YouTube zijn dan ook bij­zon­der ver­nuftig gewor­den in het kapen van onze aan­dacht. De inzicht­en uit de gedragsweten­schap­pen wor­den ent­hou­si­ast toegepast om zoge­naamde ‘gewoon­testruc­turen’ te creëren. De grens tussen gewoonte en ver­slav­ing is niet zelden een beet­je flou. Dit is niet alti­jd een bewuste activiteit. Ook mailprogramma’s hebben een inge­bouwd beloningssys­teem dat onder­be­wust ver­slavend kan werken.

In de Scham­per van 6 novem­ber 2017 stelt onze kers­verse rec­tor Rik van de Walle dat er 10 miljoen zal uit­getrokken wor­den om draad­loos inter­net op alle leer- en werk­plekken van de uni­ver­siteit te kun­nen aan­bieden. Hier­naar lijken vooral de stu­den­ten vra­gende par­tij te zijn. Sta mij toe om hier toch enige vraagtekens bij te plaat­sen. Stu­den­ten hebben niet min­der nood aan con­cen­tratie dan de onder­zoek­ers van de uni­ver­siteit. Wat veld­w­erk in de bib­lio­theken en aula’s leert snel dat het inter­net ook weinig bevorder­lijk is voor het studeer­w­erk. De gebeurtenis­sen van de laat­ste maan­den doen daaren­boven betwi­jfe­len of de ver­hoogde con­nec­tiviteit aan de uni­ver­siteit een een­duidig posi­tieve invloed heeft op het samen­leven en poli­tieke verenig­ingsleven aan de uni­ver­siteit. Een neu­trale obser­va­tor zou miss­chien wel tot de con­clusie kun­nen komen dat er te veel inter­net is aan de uni­ver­siteit. Wederom, dit is geen pater­nal­is­tisch vingert­je naar stu­den­ten toe. Lezen en schri­jven zijn niet min­der uitda­gend voor doc­tor­an­di dan voor stu­den­ten. We zit­ten in het­zelfde schuit­je.

Dit alles mag miss­chien zeer con­ser­vatief klinken en herin­ner­in­gen oproepen aan opstandi­ge Lud­di­eten die in het 19e-eeuwse Enge­land weef­ma­chines gin­gen vernie­len. Maar ook in een neolib­erale NPM-log­i­ca is het twi­jfelachtig dat meer wifi daad­w­erke­lijk tot meer out­put zal lei­den. Het inter­net is onte­gen­spreke­lijk een nut­tig en vaak noodza­ke­lijk werkin­stru­ment, maar het is een illusie om te denken dat een onafge­bro­ken en voort­durende inter­netverbind­ing een vereiste is voor een nut­tige werk- of stud­iedag. Ik durf ook de vraag op te wer­pen waarom inter­net een noodza­ke­lijk goed zou moeten zijn in leslokalen.

“Uitrollen van draad­loos inter­net naar alle leer- en werk­plekken lijkt me weinig noodza­ke­lijk, inte­gen­deel”

Ik pleit daarom juist voor min­der wifi aan de uni­ver­siteit. Waar nodig, op de werk­plekken van het ATP bijvoor­beeld, dient dit natu­urlijk wel voorzien te wor­den. Voor de rest zou de uni­ver­siteit de laat­ste wifi-vri­je zones aan de uni­ver­siteit net moeten koesteren, en die actief gaan uit­bat­en als con­cen­tratiezones bij uit­stek. Het vri­jgekomen bud­get zou dan kun­nen wor­den gebruikt om inter­net­block­ers als ‘Free­dom’ col­lec­tief aan te bieden en de bib­lio­theken verder wifi-vrij te mak­en. Vanzelf­sprek­end is dit geen plei­dooi tegen wifi. Draad­loos inter­net uitrollen naar alle leer- en werk­plekken van de uni­ver­siteit lijkt me echter weinig noodza­ke­lijk, inte­gen­deel.