LONGREAD Eigen onderzoek eerst: Felicitas Becker


You have to know the past to understand the present en UGent-onderzoekster Prof. Dr. Felicitas Becker weet exact hoe ze dat moet doen. Als geschiedkundig expert van modern Oost-Afrika vanaf 1850 (Tanzania, Oeganda, Kenia, etc.) zoekt ze verbanden en antwoorden op verschillende historische vraagstukken die zich voordoen in de regio.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 6/10/2019 – 17:59 door Dries Van den Eyn­denY­olan Devriendt

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Waar­naar doet u onder­zoek?

Felic­i­tas Beck­er

“Het begon bij m’n inter­esse in de islam en spec­i­fiek­er in de moslimge­meen­schap­pen in het bin­nen­land. Aan de kust heerst de religie al meer dan duizend jaar, maar land­in­waartse delen van Oost-Afri­ka von­den de islam pas halver­wege de 20e eeuw. Waarom gebeurde dat, net op het moment dat het kolo­niale chris­ten­dom zo dom­i­nant was? Lang was er de per­cep­tie dat de gods­di­enst uit de ste­den ‘uitlek­te’ naar het plat­te­land, omdat zij de neig­ing hebben om de ‘superieure’ stad­s­cul­tu­ur te imiteren. Daartegen­over stel ik dan dat het geen naïeve ambitie van dorps­be­won­ers was, maar dat ze op de een of andere manier de islam had­den opgepikt omdat het hun een com­mu­nau­tair dis­cours bood, wat zeer hand­ig was in plat­te­lands­ge­meen­schap­pen. Iets dat hen indi­vidueel ver­ant­wo­ordelijk hield en bove­nal egal­i­tair was. Dit is dus eerder een bek­er­ing naar een werel­dreligie als prod­uct van lokaal ini­ti­atief, met spec­i­fieke betekenis­sen voor de bevolk­ing, dan dif­fusie uit een mod­ernere samen­lev­ing. De islam vor­mde namelijk een ‘zui­v­ere iden­titeit’. In het begin van de 20e eeuw was dit zeer belan­grijk, want deze regio kwam uit duis­tere decen­nia; might is right, er was veel geweld, slav­ernij, enzovoort.”

“Ze onderne­men acties die er veel­belovend uitzien, maar met weinig kans op sla­gen.”

U deed ook onder­zoek naar belei­dsvorm­ing voor armoedebe­stri­jd­ing daar. Wat heeft u daaruit geleerd?

“De probeersels om armoede te ver­min­deren, spec­i­fiek in Tan­za­nia, boei­den me enorm. Daar probeerde ik te begri­jpen waarom ze bli­jven falen, maar er toch alti­jd gelijkaardi­ge stap­pen onder­nomen wor­den. Mijn antwo­or­den focussen op hoe de mensen die zulke armoedebe­stri­j­dende pro­jecten onderne­men, net als hun admin­is­traties, gezien moeten wor­den om effec­tief iets te doen. Daarom onderne­men ze acties die er veel­belovend uitzien, maar met weinig kans op sla­gen.”

“Er is een mop in Beieren (Regio in het zuidoost­en van Duit­s­land, red.), waar ik van­daan kom, over een dronken man die zijn huissleu­tels zoekt onder de straat­lamp. Een poli­tieagent ziet hem en vraagt: ‘Zoek je naar je sleu­tels? Heb je ze hier ver­loren?’ en de man zegt: ‘Nee, ik heb ze daar ver­loren, maar het is daar donker.’ Dit mech­a­nisme, doen wat haal­baar is in plaats van het noodza­ke­lijke, bli­jft zich daar her­halen, maar het is iets wat ik hier ook al heb herk­end. Het is bij­na uni­verseel.”

U doet uw stud­ies in het bin­nen­land, maar hoe gaat u pre­cies tew­erk? Hoe ver­loopt uw veld­w­erk?

“Toen ik begon met het onder­zoeken van orale geschiede­nis in het jaar 2000, was het een nog min­der exacte weten­schap dan nu. Je gaat naar een bepaalde plaats, meestal de hoofd­stad van het land, en je infil­treert de lokale netwerken van de plaat­selijke onder­zoek­ers. In mijn geval werd de uni­ver­siteit m’n start­punt. Er was daar een pro­fes­sor die een stu­dent was geweest van mijn begelei­der en die bracht me in con­tact met een van zíjn stu­den­ten als onder­zoekssys­teem.”

“In de afgelopen jaren is het alle­maal toch meer gefor­maliseerd, vooral van­wege ethis­che zor­gen en gegevens­bescherming. Mensen moeten geïn­formeerde toestem­ming geven en weten dat ze zich kun­nen terugtrekken. Het is natu­urlijk al bij al wel een goede zaak. Ervoor von­den onder­zoek­ers daar het amper noodza­ke­lijk om schriftelijke toestem­ming te vra­gen. Ik moet nu een heel pro­to­col van vraag en antwo­ord door­lopen als ik iemand wil inter­viewen. Dat kan best prob­lema­tisch zijn omdat het de hele gele­gen­heid formel­er, ingewikkelder en zelfs intimiderend maakt.”

 “Als je de werk­meth­ode wilt beschri­jven, kan je het een sneeuw­bal­ef­fect van mond-tot-mond­com­mu­ni­catie noe­men. Meestal zijn mijn inter­views semi-gestruc­tureerd. Bepaalde infor­matie zoals per­soon­lijke gegevens zijn noodza­ke­lijk, maar ik kan uitwei­den over din­gen waar ik meer over wil weten. Je probeert mee te gaan met iemands ver­haal, zodat zij kun­nen focussen op het­gene waarin zij geïn­ter­esseerd zijn, wat ze het pret­tig­ste vin­den om te delen. Er zullen bij elke inter­view­er wel momenten zijn bij het tran­scriberen, wan­neer je bij jezelf denkt: ‘Waarom heb ik hier niet meer naar gevraagd?’, maar ter­wi­jl je bezig bent met het gesprek kan het voor­vallen dat je een bepaalde sug­gestieve opmerk­ing niet oppikt.”

Aan onze uni­ver­siteit geeft u de sem­i­nar on inequal­i­ty, pover­ty and devel­op­ment in mod­ern african his­to­ry, waar legt u nadrukken op?

“De focus van het sem­i­nar­ie ligt op inter­dis­ci­pli­nar­iteit en het is werke­lijk ver­baz­ing­wekkend hoezeer acad­emis­che onder­zoek­ers, en stu­den­ten, uit zeer uiteen­lopende studiege­bieden overeenkomen over de urgen­tie van de bestri­jd­ing van rurale armoede. Ze vallen uitein­delijk wel alle­maal terug in ver­schil­lende ‘kam­p­en’. Er zijn aca­d­e­mi­ci die zeggen dat Afrika’s prob­leem bij de insti­tu­ties ligt: slecht bestu­ur en cor­rupte regerin­gen. Er zijn aca­d­e­mi­ci die het economis­ch­er bek­ijken. Afri­ka zit in een lastige en benauwde posi­tie op de glob­ale markt, denk aan de Fair Trade Move­ment. Dan bestaan er ook nog antropolo­gen die zeggen dat het hele con­cept van economis­che ontwik­kel­ing mis­lei­dend is: het dient meestal om de grip van de staat op de lan­delijke samen­levin­gen te ver­hard­en.”

Die belan­grijke denkrichtin­gen komen iet­wat over als een west­erse visie op de prob­le­men. U heeft al veel veld­w­erk gedaan in ver­schil­lende lan­den in Afri­ka, wat beschouwen zij daar dan als de voor­naam­ste prob­le­men in de stri­jd tegen ongelijkheid?

“Wel­nu, eigen­lijk is er, bij­na vanzelf­sprek­end, niet veel meer overeen­stem­ming tussen Afrika­nen dan onder west­erse aca­d­e­mi­ci. Je vin­dt een vrij vergelijk­bare var­iëteit aan wat mensen het kern­punt van de oorza­k­en vin­den daar. Velen kun­nen zich vin­den in wat ontwik­kel­ing­sex­perten zeggen, namelijk dat er zon­der de basis­be­hoeften (schoon water, wegen, enzovoort) niets zal veran­deren. Een groot aan­tal mensen daar zegt zo ook dat beter onder­wi­js het antwo­ord is. Je vin­dt alti­jd mensen die kla­gen over cor­rup­tie, de kwaliteit van hun gron­den, zelfs hek­ser­ij en natu­urlijk ook kolo­nial­isme.”

“Ik herin­ner me een jonge­man langs de weg die een kaart­je voor iets verkocht. Iemand klaagde over de inflatie en hij zei hoe de Euro­pea­nen, toen ze het con­cept ‘geld’ aan Afrika­nen intro­duceer­den, het goede geld voor zichzelf hield­en en in Afri­ka het geld achter­li­eten dat con­stant in waarde zakt. Daarom vind ik het moeil­ijk om te zeggen dat er een sys­tem­a­tisch ver­schil zit in de manier waarop west­erse aca­d­e­mi­ci aan de ene kant en Afrika­nen aan de andere kant over deze din­gen denken.”

U maakt momenteel deel uit van een groep van vijf onder­zoek­ers, waaraan een ‘Euro­pean Research Coun­cil Grant’ werd ver­leend. Wat zijn jul­lie toekom­st­plan­nen?

“De con­clusies van het prob­leem van ongelijkheid en de geschiede­nis van islam wek­ten mijn inter­esse in de nasleep van de slav­ernij. Oost-Afri­ka was waarschi­jn­lijk een van de laat­ste delen van de wereld die leed onder grootschalige onder­drukking, maar duizen­den leef­den van de kust weg en we weten amper iets af van wat er achter­af met hen  gebeurde. Vanaf 1920 zijn de bron­nen er muis­stil over. Het is een geza­men­lijk werk en het punt van zo’n onder­zoek­ers­groep is het com­para­tief inzicht dat we kun­nen verkri­j­gen van over de ganse regio, wat niet zou lukken mocht het project indi­vidueel aangepakt moeten wor­den.”

Het onder­zoek van Felic­i­tas Beck­er en haar team is dit jaar ges­tart en loopt nog tot 2024.