Lezersbrief Roald Docter


‘Vertrouwen, samen­werk­ing, en prag­ma­tisme’, dat zijn de kern­wo­or­den waarmee het kan­di­daat (vice)rectorsduo Rik Van de Walle en Mieke Van Her­reweghe hun pro­gram­ma samen­vat­ten. Het zijn drie woor­den die het andere duo, Gui­do Van Huylen­broeck en Sarah De Saeger, ongetwi­jfeld ook zullen kun­nen omar­men, al was het maar blijkens hun keuze om ‘samen’ tot kern­wo­ord van…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 11/05/2017 – 12:21 door

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

‘Vertrouwen, samen­werk­ing, en prag­ma­tisme’, dat zijn de kern­wo­or­den waarmee het kan­di­daat (vice)rectorsduo Rik Van de Walle en Mieke Van Her­reweghe hun pro­gram­ma samen­vat­ten. Het zijn drie woor­den die het andere duo, Gui­do Van Huylen­broeck en Sarah De Saeger, ongetwi­jfeld ook zullen kun­nen omar­men, al was het maar blijkens hun keuze om ‘samen’ tot kern­wo­ord van hun pro­gram­ma te mak­en. Het eerstge­noemde duo ver­duidelijkt op hun web­site dat dit ‘vertrouwen’ niet als ‘blind vertrouwen’ moet wor­den gelezen, wat als acad­emis­che deugd de medew­erk­ers en stu­den­ten aan de Uni­ver­siteit Gent zek­er zal aanspreken. Ook ik werk aan deze uni­ver­siteit en ook ik voel me door deze wer­vende leuzen ger­aakt. Het vertrouwen dat van de uni­ver­si­taire gemeen­schap gevraagd wordt hoef ik niet blind­el­ings te geven, maar mag getoetst wor­den. Lat­en we de gezichts­bepal­ende kan­di­daa­trec­tor van het eerste duo daarom eens tegen de lat van zijn pro­gram­ma leggen. Ik zal me daar­bij beperken tot drie thema’s: pub­li­catiedruk, werk-privé-bal­ans en veren­gels­ing van het onder­wi­js. Toegegeven, ik zou dat dan eerlijkhei­d­shalve waarschi­jn­lijk ook voor de kan­di­daat-vicerec­tor moeten doen en waarschi­jn­lijk ook voor de kan­di­dat­en van het andere team, maar daarover mogen anderen schri­jven. 

Publicatiedruk en ‘salamisering’

Lat­en we begin­nen met een van de kern­tak­en van het uni­ver­si­taire bedri­jf, het uitvo­eren van hoog­waardig onder­zoek en het pub­liceren van de resul­tat­en daar­van. In de con­text van de financier­ingsmech­a­nismes van de uni­ver­siteit­en zegt het pro­gram­ma van Van de Walle/Van Her­rewege daarover: “De immer groeiende pub­li­catiedruk en de ‘salamis­er­ing’ van onder­zoek (onder­zoek in schi­jf­jes opde­len om zo in ver­schil­lende tijd­schriften te kun­nen pub­liceren) die daaruit voortvloeit, kan alleen opgelost wor­den indi­en de uni­ver­siteit­en een geza­men­lijk stand­punt innemen en verdedi­gen.” De vraag stelt zich van wie die pub­li­catiedruk dan wel komt? Het antwo­ord is bek­end: van de uni­ver­si­taire over­he­den op cen­traal en fac­ul­tair niveau, die in een rat race om maar een grot­er aan­deel uit de ges­loten financier­ingsen­veloppe te kun­nen ver­w­er­ven de onder­zoek­ers aanzetten tot een steeds grotere pub­li­catie-out­put. Het prob­leem dat in het pro­gram­ma van bei­de kandidaatduo’s wordt onderk­end is dat pub­li­catiedruk op de medew­erk­ers nu extreem hoog ligt en wellicht te hoog. Bin­nen de UGent zijn er daaren­boven onder­schei­den pub­li­catiecul­turen, die zich langs de kri­jtli­j­nen van fac­ul­teit­en, dis­ci­plines en onder­zoeks­groepen ver­schil­lend afteke­nen. In mijn fac­ul­teit (Let­teren & Wijs­begeerte) wordt tra­di­tion­eel gepub­liceerd als indi­vidu en vee­lal in boekvorm (een trage vorm van pub­liceren), maar in het laat­ste decen­ni­um met de druk vanu­it zow­el het cen­trale als het fac­ul­taire niveau sti­jgt ook hier het aan­deel groep­spub­li­caties. In de fac­ul­teit waar Rik Van de Walle deel van uit­maakt ligt de nadruk op pub­liceren in teamver­band. Daar is op zich niets mis mee, maar als alfaweten­schap­per stel ik me wel de vraag of ook hier de druk op de pro­fes­soren en het assis­terend acad­emisch per­son­eel niet te veel toe­neemt. De pro­fes­soren, zek­er zij die nog niet in een vast­be­noemd statu­ut zit­ten (Tenure Track), wor­den con­tinu opge­jaagd door Geper­son­aliseerde Doel­stellin­gen die door de fac­ul­teit­en wor­den vast­gelegd en eigen­lijk zon­der uit­zon­der­ing hoog of te hoog liggen. In de Acad­emis­che Bib­li­ografie van de uni­ver­siteit kun­nen we een­voudig nakijken welke pub­li­caties elke medew­erk­er op zijn naam heeft staan. Bij Van de Walle staat de teller op 901. In het afgelopen tijd­vak van vijf jaar (2012–2016) komt hij uit op niet min­der dan 319 afzon­der­lijke pub­li­caties, vri­jwel alle­maal als coau­teur. Als we uit­gaan van 254 reg­uliere werkda­gen in een jaar dan betekent dit dat Van de Walle elke vier dagen een pub­li­catie in druk weet te kri­j­gen; als we er van uit­gaan dat hij ook alle verlofda­gen en de week­enden werkt (en helaas doen vele medew­erk­ers dat) dan komen we toch nog uit op één pub­li­catie elke 5,7 dagen.

“Rik Van de Walle heeft de afgelopen vijf jaar 319 pub­li­caties op zijn naam staan, om de vier dagen één”

In acad­emis­che ter­men betekent dit dat Rik Van de Walle een uiterst suc­cesvolle weten­schap­per is, die een zeer groot team lei­dt en betrokken is bij vele pro­jecten en die waarschi­jn­lijk ook in gang zet. Ik vraag me echter af, hoe hij dit kan doen? De vork van vijf jaar is in dit ver­band niet zon­der beteke­nis omdat dit juist ook de jaren waren dat hij decaan van de fac­ul­teit Inge­nieur­sweten­schap­pen en Archi­tec­tu­ur was, sinds 2014 nog een gecu­muleerd met een vak­groepvoorzit­ter­schap. Een dergelijke con­cen­tratie van macht is natu­urlijk al bedenke­lijk, in de feit­en ook onv­erenig­baar, maar regle­men­tair nog steeds toege­lat­en (en de UGent heeft helaas getoond in het uitwerken van regle­menten wel wat stur­ing te kun­nen gebruiken). Tegelijk lei­dt hij dan ook nog een groot onder­zoek­steam met vele doc­tor­an­di en post­doc­tor­ale medew­erk­ers. Dat kan niet anders dan onmetelijk veel tijd kosten, zek­er als we dan nog onder­wi­js­tak­en en andere afgelei­de func­ties erbij tellen, gevoegd bij de voor­berei­din­gen voor de kan­di­datu­urstelling voor het rec­torschap. Welk aan­deel is dan in al die pub­li­caties van hem zelf? Heeft hij über­haupt de tijd gehad om al deze artike­len ook inhoudelijk te beo­orde­len voor hij zijn naam eraan ver­bond? In welke mate is dit alti­jd wenselijk voor betrokken andere auteurs, i.c. de onder­zoek­ers die het eigen­lijke werk hebben gedaan? Ligt er bin­nen de onder­zoeks­groep niet een te grote druk om Van de Walle er als auteur bij te nemen (gevraagd of ongevraagd), juist omdat hij zow­el pro­mo­tor, lei­der van de onder­zoeks­groep, vak­groepvoorzit­ter en decaan is? Op elk niveau zul je hem immers tegenkomen. Moeten we als uni­ver­siteit ons per­son­eel niet bescher­men tegen dergelijke sit­u­aties? Dringt er zich niet een andere bestu­urscul­tu­ur op? Is dit acad­emis­che wereld­beeld de bagage die we van een rec­tor aan de UGent verwacht­en en die bij de belei­ds­bepal­ing bewust of onbe­wust een rol zal gaan spe­len, en dus ook voor de andere fac­ul­teit­en?

“Moeten we ons per­son­eel niet bescher­men tegen dergelijke sit­u­aties?”

Work-life balance

Het tweede the­ma, de zo drin­gend gewen­ste bal­ans tussen werk en privé, heeft natu­urlijk heel veel te mak­en met het eerste the­ma omdat juist de (te) hoge pub­li­catiedruk een zware impact op het gezins- en sociale lev­en heeft. Uit eigen ervar­ing kan ik zeggen dat door de zeer toegenomen bureau­cra­tis­er­ing van de uni­ver­siteit, gevoegd bij de reg­uliere onder­wi­js­tak­en, er eigen­lijk pas in de avon­duren en de week­enden tijd overbli­jft voor het schri­jven aan pub­li­caties. Als Mediter­raan arche­oloog is het boven­di­en niet evi­dent om het veld­w­erk voor het onder­zoek in de nor­male semes­ter­struc­tu­ur in te passen, zodat ook dat ‘labo’-deel van ons onder­zoek in de verlof­pe­ri­odes plaats moet vin­den. Dat alles gaat natu­urlijk ten koste van gezin en soci­aal lev­en. Het is dan ook toe te juichen dat in de programma’s van bei­de kandidaatduo’s er voor deze prob­lematiek aan­dacht is. In het pro­gram­ma van Van de Walle/Van Her­reweghe, wordt dit inge­vuld door “flankerende gezinsvrien­delijke maa­trege­len: aan­bieden van rustige borstvoed­ingsruimtes, kinderop­vang voor kinderen vanaf drie jaar, extra toe­la­gen voor gezin­son­der­s­te­un­ing bij buiten­land­verbli­jven in het kad­er van een sab­bat­i­cal, meer gezin­son­der­s­te­un­ing bij inkomende inter­na­tionale per­son­eel­sle­den”, maar wordt het verder echter vooral gekop­peld aan een vernieuwing van de uni­ver­si­taire infra­struc­tu­ur. Als kiez­er vraag ik me dan af hoe Rik Van de Walle daar zelf tegen­over staat? Op de verkiez­ingsweb­site zegt hij: “In tegen­stelling tot wat je miss­chien denkt, ben ik niet getrouwd met mijn werk maar wel met de nog veel boeien­der Bren­da Del­cloo” (gelukkig werkt laat­stge­noemde ook aan de uni­ver­siteit). In het inter­view met Scham­per (576) waarin de kan­di­datu­ur van het team Van de Walle/Van Her­reweghe werd bek­end gemaakt, zegt hij echter: “Ik ben van nie­mand. Ik ben van de uni­ver­siteit en een beet­je van mijn vrouw.” Het laat­ste zal ongetwi­jfeld met een knipoog gezegd zijn, maar in com­bi­natie met de hier­voor al aange­haalde Her­cules-tak­en die Van de Walle door de com­bi­natie van zoveel func­ties dagelijks zal moeten uitvo­eren, zal er wel een grond van waarheid in schuilen. De vraag die dan bij mij opkomt is of iemand die dit soort doorge­dreven arbei­d­sethiek aan zichzelf oplegt wel de juiste per­soon is aan wie ik de zorg voor een betere werk-privé-bal­ans aan de Uni­ver­siteit Gent wil toev­ertrouwen?

“Is iemand die dit soort doorge­dreven arbei­d­sethiek aan zichzelf oplegt wel de juiste per­soon om voor een betere werk-privé-bal­ans aan de Uni­ver­siteit Gent te stri­j­den?”

Verengelsing

“De Fac­ul­teit Inge­nieur­sweten­schap­pen en Archi­tec­tu­ur werd aange­haald als voor­beeld hoe het niet moest”

Over het derde en laat­ste the­ma, de veren­gels­ing van het acad­emis­che onder­wi­js, is eerder al in de Stan­daard geschreven door zow­el het kamp van Van de Walle/Van Her­reweghe (14.4.2017) als door Van Huylenbroeck/De Saeger (18.4.2017). In het stuk van de pro­fes­soren Deneckere, De Wev­er en Vrint werd terecht kri­tisch gekeken naar de dreigende veren­gels­ing van het acad­emis­che onder­wi­js aan de Uni­ver­siteit Gent. Vreemd genoeg werd het voor­beeld van de fac­ul­teit Inge­nieur­sweten­schap­pen en Archi­tec­tu­ur aange­haald als voor­beeld hoe het niet moest, en vreemd genoeg zon­der meld­ing te mak­en van het feit dat dit nu juist de fac­ul­teit van Van de Walle is. In een reac­tie hierop weer­leg­den Gui­do Van Huylen­broeck en Sarah De Saeger de ten onrechte aan hen toegedichte inten­ties tot ver­al­ge­mening van het Engels als onder­wi­js­taal. Het gegeven dat het juist Rik Van de Walle was die als decaan de alge­hele veren­gels­ing van de mas­ters in zijn fac­ul­teit er heeft doorge­drukt, zon­der val­a­bele Ned­er­land­stal­ige alter­natieven te bieden bli­jft echter in de verkiez­ingscam­pagne zorgvuldig onder de radar. Zijn pro­gram­ma zegt daar expli­ci­et het vol­gende over: “Een ver­re­gaande veren­gels­ing van oplei­din­gen (zoals in Ned­er­land aan de gang is) is niet wenselijk voor bach­e­loro­plei­din­gen. Voor mas­tero­plei­din­gen is de onder­wi­js­taal Engels (of eventueel een andere taal) enkel te over­we­gen indi­en ze een meer­waarde is voor de stu­den­ten en het afne­mend werkveld.” Op zich is dit een redelijke stelling­name, maar de prak­tijk leert dus anders. Ook hier dringt zich de vraag opnieuw op of iemand die in zijn fac­ul­teit bewezen heeft geen goede hoed­er te zijn van het Ned­er­lands als onder­wi­js­taal (i.c. als flankerende taal voor het Engelse mas­ter­pro­gram­ma) wel de juiste per­soon is aan wie ik de zorg voor een gebal­anceerde onder­wi­js­taal­strate­gie wil toev­ertrouwen. Mijn antwo­ord op deze retorische vraag moge duidelijk zijn.

Van een rec­tor aan de UGent mogen we verwacht­en dat een pro­gram­ma niet alleen op woor­den en inten­ties gebaseerd is maar ook op een track record dat daarmee in overeen­stem­ming is.

Prof. Roald Doc­ter

Roald.Docter@UGent.be