Kort


Bez­ing de blok, godin, van onze zonen en dochters, die ram­pza­lige blok die ontel­baar veel stu­den­ten ver­dri­et bracht en vele krachtige zie­len van helden naar Hades heeft gezon­den, hen tot prooi mak­end voor hersen­schim­men en para­noia. Zo werd de wens van Zeus in vervulling gebracht, vanaf het moment dat zij voor het eerst de drem­pel…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 15/12/2016 – 20:10 door Lieselot Le Comte

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Bez­ing de blok, godin, van onze zonen en dochters, die ram­pza­lige blok die ontel­baar veel stu­den­ten ver­dri­et bracht en vele krachtige zie­len van helden naar Hades heeft gezon­den, hen tot prooi mak­end voor hersen­schim­men en para­noia. Zo werd de wens van Zeus in vervulling gebracht, vanaf het moment dat zij voor het eerst de drem­pel der ken­nis over­schre­den en de tem­pel van wijsheid betraden. Hij, heers­er over man­nen, aan­bid­der van Flo­ra en zij, stral­end tussen het stof in een bunker van boeken. Wie van de wrede goden toch bracht hen bijeen, deze kinderen van het avond­land, in de schemer­ing van de tanende lev­ensvreugde? Gedoemd was hun samen­z­i­jn op de Ker­st­markt (Ver­keerd Gepar­keerd, 21 decem­ber), daar wel­dra de nacht zou vallen over hun verenigde lichamen. Chronos haalde hen in, en bracht aldus de vloek van de verzen­gende Zeus ten uitvo­er. Voor­taan kun­nen zij bij elka­n­der niet meer komen, de muur van syl­labi te hoog, de zee van tra­nen te diep. Wan­hopig zocht­en zij een vlucht op de Infoavond Eurotrip (Vlaamse Geschied­kundi­ge kring, 21 decem­ber). Maar geen van de duizend lis­ten bood een uitweg uit het labyrint, de uiloogige Athena bespied­de hen. Noch kon­den zij Diony­sus ben­eve­len op de Can­tus (Roden­bach, Latin Quar­ter, 21 decem­ber), noch de lichtvoetige Artemis voor­bij snellen op VRG Loopt (Vlaams Rechtgenootschap, GUSB, 20 decem­ber). Zo stu­urde de vlam­mende Helios zijn wagen vele malen langs het hemel­gewelf, en een smartelijk ver­dri­et nam bezit­ting van hun hart, hun gouden haren wer­den dof, hun blozende wan­gen bleek als veren van de zwaan, die zijn tooi ver­li­est wan­neer hij treurt om zijn trouwe weder­helft. Zij dwaalde door de stad, in haar koude ogen niets meer dan een dorre ruïne. De niet­sontziende oost­en­wind blies haar naar het water, waar schep­en heen en weer dein­den op het woeste water als huilende hon­den aan ket­tin­gen. Zij staarde naar de schit­terende licht­jes op de riv­i­er, die dansten net zoals zij eens met hem. Op de andere oev­er stond hij, vech­t­end tegen de afgrond, van scheen­plat­en en wuiv­ende helm ont­daan, alleen gewapend met zijn ver­lan­gen naar haar. Hun blikken scheer­den over de gol­ven, raak­ten elka­ar en zij beseften: liev­er samen te ster­ven dan als ziel­loze schim­men verder te lev­en. En ter­wi­jl de twee lichamen naar bene­den zonken, zwom­men hun bei­der harten naar elka­ar toe. De goden, geroerd, kre­gen medeli­j­den en plaat­sen de gelief­den als ster­ren aan het hemel­gewelf. Daar ont­moeten zij elka­n­der eens per jaar, op de grens tussen oud en nieuw, tussen duizend andere licht­jes.