Is de natiestaat achterhaald?


De wereld telt 4000 culturen en 193 staten. Dat spant. Wat met nationale identiteit? Hoe rijmen we onze culturele identiteit met die van de staat en die van Europa? Rik Pinxten, professor emeritus Culturele Antropologie aan de UGent, denkt na over hoe we met z'n allen kunnen samenleven in een voortdurend veranderende samenleving. 

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 29/11/2019 – 3:50 Sym­po­sium door Ella RooseJ­u­dith Lam­bert

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Doorheen de geschiede­nis zijn we door aller­lei ver­schil­lende volk­eren over­heerst geweest en veel van hun cul­turele ele­menten zijn bli­jven hangen. Dat is zo in Bel­gië, maar geldt ook voor de rest van West-Europa. Zo ver­schil­lend van elka­ar zijn we dus niet. Toch mak­en we het onder­scheid tussen een Belg en een Frans­man. “Zo’n vier­hon­derd jaar gele­den kwam het poli­tiek-economisch project van nati­es­tat­en op. Dat impliceerde dat stat­en een eigen iden­titeit kre­gen en zich kon­den afzetten tegen hun buren die ‘anders’ zijn.”, vertelt Rik Pinx­ten.

Us and them

Er wordt onder­scheid gemaakt tussen ‘wij’ en ‘zij’. Maar wie lat­en we dan toe in de ‘wij’-groep, als we alle­maal bas­taar­den zijn van de ver­schil­lende volk­eren die onze con­treien dom­i­neer­den? Vol­gens Pinx­ten vor­men we een soort arti­fi­ciële iden­titeit van een natie die bestaat uit één volk met een gemeen­schap­pelijke cul­tu­ur. Dat doen we om de com­plexe en gemeen­schap­pelijke geschiede­nis te ver­doeze­len. Om onze eigen iden­titeit te ver­sterken, doen we alsof die ander vijandig en gevaar­lijk is.

Die ideeën rond nationale iden­titeit zijn verre van uit­gestor­ven. Door de sti­j­gende ver­st­edelijk­ing gedurende de laat­ste decen­nia wordt de maatschap­pij steeds meer en sneller gemengd en wordt ons iden­titeits­denken uitgedaagd. Het huidi­ge antwo­ord daarop is het erken­nen van de veel­heid aan iden­titeit­en die naast elka­ar bestaan, wat we ‘mul­ti­cul­tur­al­isme’ noe­men. Maar groepen die naast elka­ar lev­en en elka­ar erken­nen, gaan daarom niet per se in inter­ac­tie met elka­ar. Daarom doet Pinx­ten een oproep tot inter­cul­tur­al­isme. “We moeten leren om over het muurt­je te kijken en in dialoog te gaan met elka­ar. Als we elka­ar beter leren ken­nen, kun­nen we samen beslis­sen hoe we onze maatschap­pij inricht­en.”

Continent zoekt samenwerking 

De bood­schap is duidelijk: om een gemeen­schap op te bouwen, moeten we in dialoog gaan met elka­ar. Dat is in onze Europese gemeen­schap niet anders. We zijn onder­ling ver­bon­den, wat ervoor zorgt dat we elka­ar moeten erken­nen en in dialoog moeten gaan. De nadruk leggen op onze eigen nationale iden­titeit steekt steeds vak­er weer de kop op. Dat verkrampte nation­al­isme ziet Pinx­ten als een ontken­ning van de onder­linge afhanke­lijkheid van elka­ar. Nochtans komen veel ele­menten in ons dagelijks lev­en uit andere uithoeken van de wereld. We eten aar­dap­pe­len en we dra­gen katoe­nen kleren. Hoe kun­nen we het ver­oud­erde idee van de onafhanke­lijke nati­es­taat zomaar in stand houden? Zek­er als alles in de wereld veel meer ver­wo­ven is dan in de 19e eeuw? “Mon­di­ale prob­le­men, zoals migratie en kli­maatop­warm­ing, zijn deels het gevolg van onze west­erse lev­enssti­jl. Deze prob­le­men houden geen reken­ing met arti­fi­ciële lands­gren­zen. We kun­nen niet zomaar op onszelf terug­plooien en de anderen de gevol­gen lat­en dra­gen”, stelt hij.

Mon­di­ale prob­le­men houden geen reken­ing met arti­fi­ciële lands­gren­zen

Europese samen­werk­ing ziet hij als vooruit­gang, al zouden we meer moeten evolueren naar een gemeen­schap. Wan­neer we aan Europa denken, kijken we nog te vaak vanu­it een nation­aal idee. Zelfs bin­nen de EU is het hok­jes­denken van ‘wij’ en ‘de ander’ sterk aan­wezig: “Dat uit zich in de poli­tieke organ­isatie. De min­is­ters die in de Raad zete­len, stem­men elk in het nation­aal belang en werken niet samen aan grotere pro­jecten die hun eigen staat niet op korte ter­mi­jn ten goede komen.”

Identiteitslasagne

Om het samen­lev­ing­sprob­leem te benaderen, denken we best in een veel­lagige realiteit: “Je hebt om te begin­nen de laag van het indi­vidu: nadenken over hoe de samen­lev­ing veel mon­di­aler is gewor­den en hoe we daar met z’n allen mee moeten omgaan. Het prob­leem met deze laag is dat als je de enige bent die zo denkt, je niet veel kan ver­wezen­lijken. We behoren tot ver­schil­lende groepen met diverse waar­den. Het kan dat je bijvoor­beeld fam­i­lie bent van de Rotschilds of je kan iemand zijn die de kost ver­di­ent als werkne­mer. Deze groepen gaan op een heel andere manier de samen­lev­ing benaderen. De Rotschilds hebben min­der belang bij een soci­aal beleid dan werkne­mers. In deze groepen kun je pro­jecten opzetten die zich bewe­gen in de samen­lev­ing. Ik werk nu bijvoor­beeld mee aan een project dat alter­natief en op langeter­mi­jn nadenkt over arbeid en democ­ra­tie (zie kader­stuk, red.)”, vertelt Pinx­ten. 

Hij ver­vol­gt dat de vol­gende laag sinds de Tweede Werel­door­log aan het groeien is: “Door de opkomende ver­st­edelijk­ing wordt het lokaal en stedelijk niveau steeds belan­grijk­er. Op dat niveau kan je het heel moeil­ijk over lan­den hebben. Economis­che hubs bevin­den zich in inter­st­edelijke regio’s en over­schri­j­den de lands­gren­zen. Denk maar aan de driehoek Rot­ter­dam-Antwer­pen-Brus­sel en het drielanden­punt. Het wordt steeds belan­grijk­er om na te denken hoe dergelijke regio’s semi-autonoom kun­nen func­tioneren. Zo is het veel inter­es­san­ter voor havenbedri­jven in het Gentse om samen met het stads­bestu­ur en de omliggende bedri­jven na te denken over afsprak­en. Los van de Bel­gis­che wet­gev­ing hebben zij meer kans om tot efficïente oplossin­gen voor prob­le­men te komen”, aldus Pinx­ten.

Stat­en wor­den steeds min­der rel­e­vant

Het vol­gende niveau is het land, in de mate waarin stat­en nog bestaan. Dit niveau wordt steeds min­der rel­e­vant: “Politi­col­o­gisch onder­zoek toont aan dat de staat sinds de Tweede Werel­door­log func­ties ver­li­est en afs­toot. Die func­ties ver­huizen enerz­i­jds naar bene­den, naar stedelijke regio’s. Zo is Lon­den oneindig veel belan­grijk­er dan het Verenigd Koninkrijk. Anderz­i­jds geven stat­en bevoegdhe­den door aan een hoger niveau: het inter­na­tionale niveau van gemeen­schapsvorm­ing. Dit omvat de Europese Unie, de Verenigde Naties, de NAVO, enzoverder. De oude struc­turen proberen zich daar op een manier tussen te wur­men. Maar zij wegen duidelijk min­der door dan vroeger.”

Om verder na te denken met Rik Pinx­ten en heel wat anderen over alter­natieven voor de huidi­ge manier van samen­leven, kan je op 13 en 14 decem­ber terecht op het Sym­po­sium voor Arbeid en Democ­ra­tie.