Ik wou dat ik een boot was


In deze eindeloze oceaan van het leven wou ik dat ik een boot was. Maar neen, ik heb twee ijzeren vleugels en een propeller op mijn neus. Ik ben een vliegtuig.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 7/11/2021 – 18:07 door Ewout Van­craeynest

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Het lev­en is een grote, diepe oceaan. Waar er vroeger nog een hou­vast was en rust­pauze kon genomen wor­den op het vaste­land, is tij­dens de ado­les­cen­tie alle land­mas­sa verd­we­nen. Bli­jft nu nog over: een groot waterop­per­vlak waar iedereen zich uitzicht­loos moet zien te red­den.

Niets dat beter is dan een boot om rond te dob­beren en rustig een eigen koers te varen. Half gedrenkt in de oceaan des lev­ens, doork­lieft de boot met een ste­vige voorsteven het water. Hij groet met de sym­pa­thieke scheep­stoeter de andere boten en lei­dt een aan­ge­naam, gelukkig lev­en. 

Maar ik, ik zit ergens op het dek van een van die boten. Te tim­meren, te lassen. Plan­nen aan het herteke­nen en alles met smeerolie aan het behan­de­len zodat de pro­peller weer ent­hou­si­ast en over­moedig kan rond­draaien. Want ik wil hoger en steeds verder vliegen dan de vorige keer. Boven de wolken, weg van de oceaan, waar de realiteit van de oceaan zó klein gewor­den is, waar alle zor­gen opges­lokt wor­den door een kud­de wolken.

Daar zweef ik dan. Hoog en droog, een gelukkig bestaan. Weinig zor­gen in de cock­pit; de pro­peller zoeft ent­hou­si­ast door de blauwe lucht. Tot­dat het brand­stoflam­p­je weer begint te bran­den, tot­dat een los­ge­draaide vijs de pro­peller blok­keert, tot­dat een irreële doemgedachte mij opnieuw kaapt. Na een roes vol geluk en zon­der zor­gen, raak ik opnieuw ver­loren en nie­mand die me daar­boven kan helpen. Icarus­gewi­js moet ik dan voor de zoveel­ste keer opnieuw neerdalen naar het waterop­per­vlak. 

Ik wil hoger en steeds verder vliegen dan de vorige keer. Boven de wolken, weg van de oceaan

Daar dri­jf ik dan. Ter­wi­jl mijn car­rosserie zich langza­am en ongewild volpompt met het zoute water, staar ik naar de lucht waar ik net nog vol plezi­er door hing te scheren. De wolken versper­ren het zon­licht dat daar­net mijn metaal omar­mde. Wan­neer het water bij­na de cock­pit bereikt heeft, hoor ik een sym­pa­thieke scheep­stoeter. De boot gooit me een red­dings­boei toe en sleept me gastvrij op z’n dek. Ik ben opnieuw gered. Ik kan opnieuw begin­nen met tim­meren en lassen, mijn plan­nen wor­den hertek­end, de pro­peller wordt gede­blok­keerd.

En ter­wi­jl ik mezelf voor de zoveel­ste keer moet oplap­pen, denk ik: ik wou dat ik een boot was. Dan kon ik veilig op het water bli­jven. Zelf­s­tandig door de oceaan een eigen koers varen. 

Maar het is oké om een vlieg­tu­ig te zijn, zolang je vol­doende boten in je lev­en hebt om je een red­dings­boei toe te wer­pen. En de ultieme droom om zo’n water­vlieg­tu­ig te wor­den dat kan dri­jven, die komt miss­chien ooit uit. Zolang ik maar geen onderzeeër word.