Ik mis vroeger


Ongeveer een week gele­den kwam ik voor het eerst in vele maan­den weer naar Gent. Enerz­i­jds om wat spullen op te pikken die nog op kot ston­den, maar eerlijk gezegd ook om nog eens te kun­nen prof­iteren van deze stad die me zo nauw aan het hart ligt. Je moet weten dat het nor­maliter mijn gewoonte is om…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 18/05/2020 – 16:36 door Katrien Van­den­broeck

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Ongeveer een week gele­den kwam ik voor het eerst in vele maan­den weer naar Gent. Enerz­i­jds om wat spullen op te pikken die nog op kot ston­den, maar eerlijk gezegd ook om nog eens te kun­nen prof­iteren van deze stad die me zo nauw aan het hart ligt.

Je moet weten dat het nor­maliter mijn gewoonte is om op (semi-)dagelijkse basis iets te schri­jven. Rond mijn zestiende heb ik mijzelf (semi-)wijs gemaakt dat ik de geschiede­nis van mijn lev­en moest bijhouden. Ach ja, ik ben sinds kort van deze tra­di­tie afgestapt, maar de zelfopgelegde plicht dat ik in mijn lev­en zo nu en dan moet bewaren, probeer ik deels nog steeds te vervullen. Terugk­eren naar Gent na zoveel tijd en eens meemak­en wat daar alle­maal aan de hand is, bleek dus een per­fecte kans om dit kersvers uit het geheugen in woor­den neer te pen­nen.

Maar dat heb ik niet gedaan. Ik had het er een beet­je te moeil­ijk mee.

Ik had mijn quar­an­taine doorge­bracht in het kleine dorpsstad­je van Sluizen, in een deel­ge­meente van Lim­burg – zwaar getrof­fen door COVID-19, maar voor wat betre­ft de 10km radius rond mijn huis denk ik dat deze eigen­lijk wat dichter bewoond is door koeien dan door mensen. Veel ver­schil tussen vroeger en nu was hier dus niet echt te merken.

Wan­neer komt de dag dat alles weer zoals vroeger is?

We kwa­men aan, mijn mama en ik, en de winkel onder­aan mijn kot was ges­loten. Het papiert­je op de deur duid­de aan dat het zo zou bli­jven “tot nad­er order – dit om de gezond­heid van onze klanten en verko(o)p(st)ers te verzek­eren.” Ik wou nog even in de stad een wan­delinget­je mak­en, waar­bij de poli­tie aan het einde van de straat nauwgezet toe­keek of we al dan niet in de goede richt­ing aan het stap­pen waren. We zijn dan nog even op de Koren­markt naar De Post gegaan om net als vroeger leuke kledij te spot­ten, maar zij noch ik durfde iets aan te rak­en zon­der zich daar­bij toch wat onge­makke­lijk te voe­len. Maar wat mij miss­chien het meest trof in Gent, is Gent op zich. Gent, dat wat van zijn gewoon­lijke jovi­aliteit pre­cies ver­loren had. Gent met maar enkele mensen hier en daar, zoveel min­der dan op een nor­male weekdag. De stu­den­ten waren weg, de toeris­ten eve­neens. Van die mensen die er nog overbleven, zat ieder achter hun mond­masker op min­stens een meter afs­tand van elka­ar.

Ake­lig, zo voelde het voor mij aan. Alsof de stad waarin ik zo graag woonde gewoon verd­we­nen was. Of enkel nog bestond in mijn ver­beeld­ing, zoals ik mij hem kan herin­neren. Gent: de stad die alti­jd zo lev­endig was, waar elke dag zoveel te bezien en te bezoeken was, waar er zoveel te beleven was.

Wan­neer komt de dag dat alles weer zoals vroeger is? Dat het nor­maal is met vrien­den en vriendin­nen af te spreken aan de Koren­lei, dat we sim­pel­weg omdat we daar zin in hebben gaan pick­nick­en aan de Blaarmeersen. Dat ik weer naar de Vooruit kan gaan met de gas­ten van Scham­per; dat ik weer een-op-een­in­ter­views zal afne­men, dis­cussies zal aan­gaan met prof­fen of gewoon een biert­je ga drinken op café.

Het is gedaan met het stu­den­ten­leven – het is net alsof het gedaan is.

En voor dat ik terug naar huis keerde, las ik nog op de voorgev­el van de Sphinx Cin­e­ma: “Wij u ook.”

God, ik ook. Ik ook.